Fiscaal

Toepassing weerlegbaar bewijsvermoeden bij splitsingsvrijstelling voor overdrachtsbelastingDe regeling voor vrijstelling van overdrachtsbelasting bij splitsing bevat een bewijsvermoeden. Wordt het belang van de splitsende rechtspersoon in de verkrijgende rechtspersoon vervreemd binnen drie jaar na de splitsing, dan worden in overwegende mate zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Hoewel in casu alle aandelen in de afgesplitste rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing zijn vervreemd, belet dit volgens het hof de aanspraak op de vrijstelling niet aangezien belanghebbende de voor de vrijstelling vereiste zakelijke overwegingen heeft aangetoond. Het hof heeft daarmee kennelijk geoordeeld dat belanghebbende geslaagd is in het tegenbewijs, hetgeen volgens de HR geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De HR verwijst in dit verband naar HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8201 (Bulkgasarrest), waarin werd overwogen dat de mogelijkheid tegenbewijs te leveren niet beperkt is naar gelang het tijdstip van de vervreemding. Het feit dat er ten tijde van de splitsing, waaraan in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, al een voornemen tot vervreemding van de aandelen bestaat, sluit deze mogelijkheid niet uit.

ECLI:NL:HR:2019:1297

Monografie Cassatie

In de serie Burgerlijk Proces & Praktijk is het deel Cassatie verschenen, geschreven door leden van ons cassatieteam.

Meld u aan voor de Hoge Raad News Update