De Minister van Economische Zaken is van plan om netbeheerders een rol te laten spelen in de opslag van energie. Hoe past dit in het systeem van de Elektriciteitswet 1998?

De contouren van het nieuwe energiesysteem, dat ons een duurzame toekomst moet bieden, worden zo langzamerhand zichtbaar. Duidelijk is en was dat de fossiele bronnen op termijn zullen worden verdreven door duurzame energiebronnen. Dat betekent onder meer dat de voorspelbare centrale productie-eenheden met gas, kolen of olie, plaatsmaken voor de minder voorspelbare productie op basis van wind en zon. We hebben de onuitputtelijke energiebronnen als wind en zon, maar nu moeten we nog zorgen dat deze energie op de juiste plaats op het juiste moment kan worden geconsumeerd. Energieopslag en dan met name opslag van elektriciteit zou daar een oplossing voor kunnen bieden. De Minister van Economische Zaken heeft in zijn brief van 18 juni 2014  aangekondigd dat hij hier een rol voor de netbeheerders voorziet. Het zou een wettelijke taak van de netbeheerder worden, maar niet een exclusieve taak, zodat ook marktpartijen elektriciteitsopslag in concurrentie kunnen leveren.[1] De vraag is hoe dit past binnen het systeem van de Elektriciteitswet 1998 (“Elektriciteitswet”).

In de Elektriciteitswet staan taken van de netbeheerder opgenoemd. De minister geeft in zijn brief aan dat de netbeheerder op grond van de Elektriciteitswet alleen de wettelijke taken mag uitvoeren, en dat hij dit ongewijzigd wil laten.[2] Dat is de reden dat indien de netbeheerder een taak met betrekking tot elektriciteitsopslag krijgt, de minister deze taak een wettelijke basis zal geven.

Op grond van artikel 17 en 17a Elektriciteitswet is het netbeheerders in beginsel verboden goederen en diensten te leveren, waarmee zij in concurrentie treden. In de parlementaire geschiedenis  vinden we over de strekking van deze bepaling het volgende.

De strekking van dit voorschrift met betrekking tot de scheiding van netbeheer en commerciële activiteiten is dat het wettelijk opgedragen beheer van leidinggebonden infrastructurele werken niet vermengd moet worden met het verrichten van activiteiten in concurrentie met derden. Enerzijds zou een dergelijke vermenging kunnen leiden tot het verhalen van (financiële) risico’s van marktactiviteiten op het netbeheer, waarvoor de netbeheerder een exclusief recht heeft. Anderzijds zouden daardoor voordelen die de netbeheerder kan ontlenen aan zijn wettelijke beheerstaak gebruikt kunnen worden bij het verrichten van commerciële activiteiten, wat zou leiden tot ongelijke concurrentiecondities in de desbetreffende markt van goederen of diensten.[3]

De wetgever lijkt te willen voorkomen dat de netbeheerder met de uitvoering van zijn taken concurrentieverstorend handelt. Het lijkt ons dan ook dat de nieuwe taken die de netbeheerder met betrekking tot elektriciteitsopslag zou moeten krijgen, niet verstorend moeten zijn voor de diensten die andere partijen in concurrentie willen leveren.

Een mogelijke situatie waarin elektriciteitsopslag door de netbeheerder van toegevoegde waarde is, is de situatie waarin de netbeheerder zijn overige wettelijke taken efficiënter en effectiever kan uitvoeren met de toepassing van elektriciteitsopslag. Wanneer bijvoorbeeld op straat- of wijkniveau congestie ontstaat door het intensieve gebruik van zonnepanelen — en verzwaring van het net en het veilen van capaciteit onwenselijk dan wel duurder is —, dan kan elektriciteitsopslag mogelijk een oplossing bieden.[4] Te denken valt ook aan omstandigheden waaronder elektriciteitsopslag niet commercieel realiseerbaar is, maar maatschappelijk wel toegevoegde waarde biedt. Dit kan bijvoorbeeld doordat netbeheerders elektriciteitsopslagcapaciteit realiseren, die commercieel nog niet rendabel is, maar wel wenselijk is om innovatie dan wel de ontwikkeling van bepaalde diensten een stimulans te geven. Netbeheerders zouden deze — eenduidig in de regelgeving voorgeschreven — capaciteit aan de markt kunnen aanbieden gedurende een duidelijk van tevoren vastgestelde periode, waarbij gereguleerde tarieven worden gehanteerd. De uitdaging bij al deze oplossingen, die in potentie toegevoegde waarde hebben voor een duurzaam energiesysteem, is de voorwaarden te ontwerpen waarbij de netbeheerder alleen daar optreedt waar nodig is, zonder dat de marktwerking onnodig wordt belemmerd.

In tegenstelling tot de netbeheerder mag een met de netbeheerder in een groep verbonden groepsmaatschappij wel goederen en diensten leveren, waarmee zij in concurrentie treedt, maar overeenkomstig artikel 18 van de Elektriciteitswet mag die groepsmaatschappij dan niet worden bevoordeeld. De minister heeft het in zijn brief van 18 juni jl. echter duidelijk over de netbeheerder zelf die een taak zou moeten krijgen aangaande elektriciteitsopslag en niet over een in een groep verbonden groepsmaatschappij (het aan de netbeheerder gelieerde netwerkbedrijf). Niet wordt gesproken over het netwerkbedrijf. Voor het uitvoeren van activiteiten door het netwerkbedrijf wil de minister, onzes inziens terecht, een duidelijke afbakening maken van wat dit bedrijf mag, zodat er duidelijkheid is voor andere partijen.[5] Of elektriciteitsopslag ook door het netwerkbedrijf mag worden aangeboden, zal met name onderzocht moeten worden door te oordelen in welke mate het netwerkbedrijf concurrentievoordeel kan behalen doordat zij in dezelfde groep als de netbeheerder opereert.

Als gezegd zou het aanmerken van elektriciteitsopslag als wettelijke taak van een netbeheerder niet meebrengen dat deze taak exclusief aan de netbeheerder wordt opgedragen, zodat zowel het netwerkbedrijf als andere marktpartijen energieopslag kunnen ontwikkelen en exploiteren. Een belangrijk verschil is dat de netbeheerder de uitvoering van deze taak zal kunnen bekostigen uit inkomsten verkregen uit transporttarieven en de andere partijen niet, zo valt op te maken uit de brief van de minister van 18 juni jl. Voor die andere partijen is het dus van het grootste belang duidelijkheid te hebben over de reikwijdte van de wettelijke taak en de duur waarvoor deze bij de netbeheerder wordt ondergebracht. Zonder deze duidelijkheid is het voor hen niet goed mogelijk investeringsbeslissingen te nemen ten aanzien van energieopslagactiviteiten naast of na de netbeheerder.

In het verleden heeft het ontbroken aan duidelijkheid over de taak en rol van de netbeheerder bij de ontwikkeling en exploitatie van laadpalen voor elektrisch vervoer. Dit vormde in 2012 aanleiding voor Kamervragen over het financieren van laadpalen uit publieke gelden en een verzoek aan de toenmalige Minister van Economisch Zaken om een einde te maken aan de marktverstoring die hierdoor het gevolg was.[6] De minister heeft hierop laten weten dat volgens de Green Deal met Netbeheer Nederland van oktober 2011 deze activiteiten per definitie een tijdelijk karakter hadden om de markt op gang te brengen. De minister achtte het met het oog op de ontwikkeling naar een open, concurrerende markt voor elektrisch vervoer onwenselijk dat laadpunten in de publieke ruimte onder de wettelijke monopolietaak van de netbeheerder zouden worden gebracht.[7]

De minister zal de komende tijd zijn plannen aangaande onder meer de elektriciteitsopslag nader uitwerken in wet- en regelgeving. Het ziet er naar uit dat hij hier omzichtig te werk zal gaan, teneinde de markt zijn werk te laten doen waar dat kan, en de netbeheerder zijn werk te laten doen indien de markt hierin niet voorziet. Ook moet glashelder zijn dat de netwerkbedrijven geen concurrentievoordelen hebben als gevolg van hun relatie met de netbeheerder. De minister lijkt de grenzen voor wat mag en niet mag voor de netbeheerder en het netwerkbedrijf in de Elektriciteitswet aan te scherpen, en dat is onzes inziens ook nodig.