De Codextrein voorziet o.a. in een reeks aan nieuwe afwijkingsmogelijkheden in het kader van de vergunningverlening. Eén van de meest ophefmakende was de nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor ontginningsgebieden. Tijdens het debat in de parlementaire commissie werd geopperd dat deze nieuwe afwijking op maat was geschreven van één private onderneming. Het Grondwettelijk Hof schorst nu in zijn arrest van 19 juli 2018 deze afwijkingsmogelijkheid op basis van de schending van het gelijkheidsbeginsel.

Over de Codextrein is al veel inkt gevloeid (zie bijv. onze eerdere blog hierover). Bepaalde wagonnetjes van deze Codextrein waren ook meteen fel gecontesteerd (de nieuwe afwijkingsmogelijkheden of de beperkingen inzake de mogelijkheden om beroep in te stellen).

Eén van de meest ophefmakende daartussen was de nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor ontginningsgebieden (nieuw artikel 4.4.8/3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). Tijdens het debat in de parlementaire commissie werd zelf geopperd dat deze nieuwe afwijkingsmogelijkheid op maat was voorzien van één firma uit Braschaat. In zijn arrest van vandaag (19 juli 2018) heeft het Grondwettelijk Hof de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid geschorst.

1. De geschorste afwijkingsmogelijkheid toegelicht

Overeenkomstig artikel 4.4.8/3 VCRO zijn in de op de gewestplannen aangewezen 'ontginningsgebieden' en in de voor ruimtelijke uitvoeringsplannen relevante gebieden die vallen onder de subcategorie van gebiedsaanduiding ‘gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen’, meer te doen dan enkel ontginnen.

Met name laat de afwijkingsmogelijkheid, naast de ontginning van primaire grondstoffen, ook volgende handelingen toe, met inbegrip van de daartoe benodigde wegneembare constructies, voor zover de eventuele nabestemming van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt:

  1. de mechanische bewerking van de ontgonnen delfstoffen;
  2. de verrijking van de ontgonnen delfstoffen door menging met afbraakstoffen in het kader van een duurzame materialenkringloop in de zin van artikel 3, 22°, van het Materialendecreet.

Aldus laat de toepassing van de afwijking toe om ook in de vermelde gebieden, aangegeven op de plannen van aanleg en RUP’s, naast de ontginning van de primaire grondstoffen ook verdere stappen in het ontginningsproces te verrichten, zoals de mechanische bewerking van de ontgonnen delfstoffen. Tijdelijke infrastructuur voor de ontginningsactiviteit en de mechanische behandeling van de ontgonnen delfstoffen is toegelaten. Die constructies dienen na ontginning te worden verwijderd.

De achterliggende reden voor de nieuwe afwijking is als volgt toegelicht. Het Vlaamse beleid inzake het beheer van de oppervlaktedelfstoffen heeft als basisdoelstelling om op een duurzame wijze te voorzien in de oppervlaktedelfstoffen die nodig zijn om aan de huidige en toekomstige maatschappelijke behoefte aan materialen te voldoen. Dat streven naar duurzame materiaalkringlopen vormt de basis van het Materialendecreet van 23 december 2011.

Een restrictieve lezing van de gewestplanbestemming 'ontginningsgebieden' dreigde er echter toe te leiden dat deze gebieden uitsluitend te bestemmen zouden zijn voor de ontginning van de primaire grondstoffen.

Deze nieuwe afwijking maakt deze mogelijke restrictive lezing ongedaan en verruimt in tegendeel de invullingsmogelijkheden.

2. De geschorste afwijkingsmogelijkheid was van in den beginne niet onbesproken

De nieuwe afwijkingsmogelijkheid verhitte al van in den beginnen de gemoederen. Tijdens het debat in de parlementaire commissie over het amendement dat in deze afwijkingsmogelijkheid voorzag, werd opgeworpen dat de afwijkingsbepaling op maat van één firma in Brasschaat was voorzien om de verwerking van bouw- en sloopafval aldaar mogelijk te maken. Deze firma had immers haar milieuvergunning daarvoor op grond van de onverenigbaarheid met de gewestplanbestemming ontginningsgebied zien sneuvelen (RvS 22 september 2016, nr. 235.825, Maes).

3. Het verdict van het Grondwettelijk Hof

Tegen deze nieuwe afwijkingsmogelijkheid was bij het Grondwettelijk Hof een schorsingsvordering ingesteld. Deze vordering was afgeleid uit een schending van het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet) in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus.

De verzoekende partijen wierpen een verschil in behandeling op: burgers, naargelang zij al dan niet in de buurt van een ontginningsgebied of een gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen wonen, zouden anders behandeld worden:

  • burgers die in de buurt van een dergelijk gebied wonen, hebben nooit inspraak gehad in de nieuwe exploitatiemogelijkheden die decretaal zijn ingevoerd voor ontginningsgebieden en gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen, terwijl
  • burgers die in de buurt van andere bestemmingsgebieden wonen, wel inspraak hebben wanneer nieuwe mogelijkheden zouden worden gecreëerd, aangezien die creatie enkel toegestaan is door de aanname van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

Het Grondwettelijk Hof achtte in zijn arrest van 19 juli 2018 deze opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel ernstig en schorste dienvolgens de artikelen 68 en 69 van de Codextrein (die deze afwijkingsmogelijkheid invoeren).

4. En nu? 

Met de schorsing van deze afwijkingsmogelijkheid dreigt één van de wagons van de Codextrein alvast te ontsporen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat het Grondwettelijk Hof ook later de vernietigingsvordering tegen deze afwijkingsmogelijkheid zal inwilligen.

Bovendien zijn er nog vijf andere vernietigingsberoepen bij het Grondwettelijk Hof tegen bepalingen van de Codextrein hangende. Het valt dan ook af te wachten of het Grondwettelijk Hof nog andere wagonnetjes in het vizier zal nemen en wat er finaal van de Codextrein overblijft.