Het Hof 's-Hertogenbosch heeft op 26 oktober 2012 (LJN BY1384) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). In deze procedure is in 2009 aan de belanghebbende een boete opgelegd voor een verkeersovertreding. Zij moet voor de kantonrechter verschijnen omdat zij de boete niet heeft voldaan. Daar stelt zij zich op het standpunt dat zij de berichten van de Officier van Justitie nooit heeft ontvangen. Om aan te kunnen tonen dat de boete vermoedelijk naar een verkeerd adres is gestuurd, verzoekt zij de gemeente waar zij woonachtig is om haar mede te delen welke gegevens er over haar in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) in 2008 en 2009 waren opgenomen. Zij weigert echter de leges van €12,80 te betalen die voor het verstrekte uittreksel in rekening werden gebracht. Volgens haar is het onheus om leges in rekening te brengen voor een uittreksel uit de GBA, omdat dergelijke uittreksels in het maatschappelijk verkeer veelvuldig voor het noodzakelijk bewijs van (de juistheid van) persoonsgegevens dienen. In het kader van deze visie stelt belanghebbende dat haar inzageverzoek is gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Voor Wob-verzoeken geldt dat het niet toegestaan is om leges te heffen, maar dat wel kopieerkosten in rekening mogen worden gebracht (zie hierover ook onze vorige nieuwsbrief).

De heffingsambtenaar stelt daarentegen dat het verzoek is gebaseerd op artikel 79, lid 3 Wet GBA. Het Hof is van mening dat het er niet toe doet naar welke nationaalrechtelijke bepaling het geschil wordt beoordeeld. Het gaat er om of de verstrekking van het uittreksel in overeenstemming is met de vereisten die de Europese Privacyrichtlijn stelt. Hiervoor kijkt het Hof naar artikel 12 aanhef onder (a) van deze richtlijn, en concludeert dat desbetreffende zinsnede op twee wijzen kan worden geïnterpreteerd: (1) de verstrekking van persoonsgegevens dient plaats te vinden zonder bovenmatige (vertraging of) kosten, of (2) de verstrekking van persoonsgegevens dient plaats te vinden zonder (bovenmatige vertraging of) kosten. Van de gekozen interpretatie hangt af of wel (onder bepaalde voorwaarden) of geen leges mogen worden geheven. Het Hof besluit daarom prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

De Privacyrichtlijn is onder meer in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geïmplementeerd. Deze is in casu echter niet van toepassing omdat voor de GBA een uitputtend privacyregime is neergelegd in de Wet GBA. Bij de implementatie van de richtlijn in de Wbp is er vanuit gegaan dat de interpretatiewijze die toestaat dat de verantwoordelijke kosten in rekening brengt bij het voldoen aan een inzageverzoek (de eerste interpretatiemogelijkheid van het Hof) de juiste is. Het is daarom opmerkelijk dat het Hof prejudiciële vragen stelt. Zodra de antwoorden van het HvJEU binnen zijn, berichten wij u nader.