Zoals wij u in onze eerdere NewsFlashes over de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector ("WNT") reeds hebben bericht 1, zijn rechters strikt genomen niet gebonden aan de maximale ontslagvergoeding van € 75.000,- bruto die in de WNT is vastgelegd. De rechter heeft in iedere zaak ten aanzien van een billijke vergoeding de vrijheid om een eigen afweging te maken van alle feiten en omstandigheden. Op basis van die afweging stelt de rechter vast of er grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, of het "redelijk en billijk" is om een werknemer een vergoeding toe te kennen en - zo ja - hoe hoog deze vergoeding dan dient te zijn.

De lijn in de rechtspraak is dat de WNT een drukkend effect heeft en de "€ 75.000,- norm" als basis dient voor vaststelling van een ontbindingsvergoeding. Slechts in bijzondere omstandigheden wijken rechters van deze norm af. Dit was in een recente uitspraak, gewezen door de kantonrechter Utrecht van 1 september 2014 (vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2014:3826), aan de orde.

Inhoud van de zaak

Een directeur-bestuurder is ruim 20 jaar in dienst bij een woningbouwvereniging. Één van de gemeenten waar de woningbouwvereniging mee samenwerkt, heeft het vertrouwen in de directeur-bestuurder opgezegd. De gemeente verwijt de directeur-bestuurder onder meer het niet opvolgen van instructies, gebrekkige communicatie, het niet willen verplaatsen in de belangen van anderen, een intimiderende leiderschapsstijl en het creëren van een 'angstcultuur'.

Kort nadat de RvC door de gemeente van deze verwijten op de hoogte is gesteld, wordt de directeur-bestuurder geschorst en legt hij zelf zijn taken als bestuurder neer. Het 'vertrek' als bestuurder wordt in overleg vrijwel direct via een persbericht openbaar gemaakt. Vanaf dat moment heeft de directeur-bestuurder geen werkzaamheden meer verricht. De woningbouwvereniging verzoekt vervolgens de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en is daarbij bereid om maximaal € 75.000,- bruto als ontslagvergoeding te betalen.

De directeur-bestuurder is het hier niet mee eens en verzoekt om het ontbindingsverzoek af te wijzen of om hem een vergoeding van € 467.000,- bruto toe te kennen (kantonrechtersformule met correctiefactor van 1,5). De directeur-bestuurder stelt zich op het standpunt dat hij ruim 20 jaar goed heeft gefunctioneerd en dat hij zonder evaluatie, hoor en wederhoor en/of een verbetertraject per direct op straat gezet dreigt te worden.

De kantonrechter overweegt - kort gezegd - dat het ontslag als bestuurder vast staat en - mede gelet op de ontstane verhoudingen (ook met de betrokken gemeente), de bestuurstaken zijn neergelegd en hier gezamenlijk publiekelijk over is gecommuniceerd - er voldoende grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Voor wat betreft de ontbindingsvergoeding stelt de kantonrechter voorop dat de WNT op de arbeidsverhouding van toepassing is, maar zij niet aan de het maximum van € 75.000,- gebonden is. De kantonrechter betrekt in haar overwegingen ten voordele van de directeur-bestuurder de volgende elementen:

  • Lang dienstverband;
  • geen tussentijdse beoordelings- en functioneringsgesprekken;
  • geen verbetertraject, waardoor het voor de directeur-bestuurder niet duidelijk was dat hij zich 'in de gevarenzone' bevond;
  • er is geen nader onderzoek en hoor -en wederhoor met betrekking tot de kritiek van de gemeente toegepast;
  • schorsing is niet ingezet voor nader feitenonderzoek, maar louter als opmaat voor ontslag;
  • schorsing was een voldongen feit en is niet vooraf met directeur-bestuurder besproken.
  • Ten nadele van de directeur-bestuurder wegen de volgende omstandigheden mee:
  • het is aannemelijk dat er kenbare en stevige kritiek was op de stijl van leidinggeven van de directeur-bestuurder en dat hij hierin onvoldoende zelfreflectie heeft getoond;
  • de directeur-bestuurder was al eerder met de kritiek van de gemeente bekend, maar heeft die kritiek toen niet zelf met de RvC gedeeld;
  • de directeur-bestuurder had zich moeten realiseren dat de (te) harde en zakelijke stijl van leidinggeven een afbreukrisico met zich meebrengt dat niet strookt met het belang van de woningbouwvereniging;
  • gelet op zijn houding ter zitting is het niet aannemelijk dat een verbetertraject zou hebben geleid tot gedragsverandering;
  • een 'substantiële' ontslagvergoeding is maatschappelijk onaanvaardbaar (normstelling);
  • dat de directeur-bestuurder een eigen verantwoordelijkheid heeft om gelet op WNT én de Wet Werk & Zekerheid te anticiperen op een lagere ontslagvergoeding. 

Doorredenerend acht de kantonrechter het "reëel" dat de directeur-bestuurder niet binnen 2 jaar een nieuw dienstverband zal vinden, maar dat er wel rekening gehouden dient te worden met de toekomstige aanspraak op een WW-uitkering én dient het ontvangen salaris over de 'schorsingsperiode' (ca. 5 maanden) op de vergoeding in mindering te strekken. De kantonrechter kent de directeur-bestuurder een vergoeding toe van € 180.000,- bruto (gelijk aan één jaarsalaris).

Conclusie en aandachtspunten

Resumerend blijkt ook uit deze uitspraak de beperkende werking van de WNT bij vaststelling van een  ontbindingsvergoeding door de rechter. Het onderstreept het belang voor de werkgever om - ook bij een hooggeplaatste werknemer - een gedegen (dis)functioneringsdossier op te bouwen, alvorens tot schorsing en ontslag over te gaan. Een werknemer zal zich op zijn beurt niet te snel - zonder formeel protest - bij een schorsing moeten neerleggen2 en dient gedegen te onderbouwen wat de schade is die hij als gevolg van het ontslag lijdt en in redelijkheid in de toekomst zal lijden.