In deze zaak staat de vraag centraal of een onroerende zaak die zeer ingrijpend verbouwd wordt, een levering van een nieuw vervaardigd goed is en daardoor belast is met btw. De inspecteur betoogt in deze zaak dat geen vervaardigd goed is geleverd, maar een oud gebouw dat belast is met overdrachtsbelasting.

Van een vervaardigd goed is sprake indien 'in wezen nieuwbouw' heeft plaatsgevonden. Dit wordt getoetst door een man op de straat als uitgangspunt te nemen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde evenwel op 3 augustus 2016 dat deze man ook binnen kan treden om te bepalen of dit het geval is (in casu vond de volledige verbouwing plaats achter de monumentale gevel) en oordeelde uit dien hoofde dat de verbouwing had geleid tot een vervaardigd goed. De levering van de onroerende zaak ten tijde van de verbouwing ervan was zodoende onderworpen aan de heffing van btw zo concludeerde het Hof.

In cassatie is de A-G nu tot een andere conclusie gekomen. De A-G is namelijk van mening dat ook de prestaties van verkoper in het kader van de levering moeten worden geduid en dat niet enkel het eindresultaat van de verbouwing van belang is. Allereerst dient derhalve te worden beoordeeld of de verkoper één (samengestelde) handeling verricht, mogelijk bestaande uit meerdere elementen, of meerdere handelingen. Het Hof van Justitie (“HvJ”) heeft hiervoor vastomlijnde criteria gegeven. Uit deze criteria volgt dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt (onder meer het arrest Don Bosco Onroerend Goed) en bij de duiding van een prestatie rekening dient te worden gehouden met de wilsverklaring van partijen (ondersteund door objectieve gegevens) met betrekking tot de btw-behandeling (onder meer het arrest Woningstichting Maasdriel).

Uit bedoelde objectieve gegevens leidt de A-G in casu af dat verkoper zich jegens de koper heeft verbonden verbouwingswerkzaamheden te verrichten. Dit wil volgens de A-G echter niet per definitie zeggen dat daardoor sprake is van de levering van een gebouw vóór eerste ingebruikneming. Daarvoor is volgens de A-G nodig dat de verbouwingswerkzaamheden die de verkoper heeft uitgevoerd of dient uit te voeren leiden tot een vervaardigd goed. Afgaand op de feiten in deze zaak is de A-G van mening dat een gemeenschappelijke intentie tot het stichten van nieuwbouw bij partijen ontbreekt en dat de verbouwing van het onderhavige gebouw op het tijdstip van de levering niet zo vergevorderd was dat sprake kon zijn van ‘in wezen nieuwbouw’. Het wachten is nu op het arrest van de Hoge Raad.

Bron: Advocaat-Generaal Ettema (“A-G”), 12 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1415