Civiel

Aanvang lange verjaringstermijn bij opstalaansprakelijkheid Opstalaansprakelijkheid (art. 6:174 BW) is niet verbonden aan een schadeveroorzakende gedraging, maar aan de schadeveroorzakende toestand waarop art. 6:174 BW ziet. Er is daarom geen reden in een dergelijk geval een gedraging aan te merken als schadeveroorzakende gebeurtenis die de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW doet aanvangen. In casu is de schadeveroorzakende gebeurtenis een voortdurende toestand, en kan deze derhalve niet tot één moment worden herleid. Vanwege het aan de lange verjaringstermijn ten grondslag liggende belang van de rechtszekerheid moet in een dergelijk geval worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan.

ECL:NL:HR:2019:412

Civiel

Geen bovenwettelijk advies- en beroepsrecht OR bij politieke besluiten Art. 46d WOR regelt dat besluiten over de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, alsmede het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken (art. 46d, aanhef en onder b WOR), zijn uitgezonderd van de overlegverplichting (zgn. 'politieke besluiten'). Uit het stelsel van de WOR volgt dat die besluiten ook van adviesrecht (art. 25 WOR) en recht van beroep (art. 26 WOR) zijn uitgezonderd. Art. 32 lid 2 WOR regelt dat bovenwettelijke bevoegdheden kunnen worden toegekend aan de OR, en dat als adviesrecht wordt gegeven, tevens beroepsrecht van toepassing is. De wetgever heeft uitdrukkelijk niet gewild dat politieke besluiten van democratisch gecontroleerde organen door de OK in het kader van de WOR worden getoetst. Aangezien niet is gebleken dat de wetgever hiervan heeft willen afwijken voor op grond van art. 32 WOR bovenwettelijke toegekende rechten, moet worden aangenomen dat de wetgever dit artikel niet op politieke besluiten heeft willen betrekken. De HR overweegt dat de ondernemer aan de OR wel een informeel adviesrecht kan verlenen ten aanzien van de genoemde 'politieke besluiten', en daarbij geen beroepsrecht kan toekennen.

ECL:NL:HR:2019:397

Fiscaal

HR geeft richtsnoer voor parallellie interne en externe financiering Een buitenlandse groepsvennootschap heeft aan belanghebbenden rentedragende leningen verstrekt. De leningen houden verband met een besmette transactie voor toepassing van de Wet Vpb 1969, waardoor in beginsel geen renteaftrek mogelijk is. Belanghebbenden stellen dat de leningen extern gefinancierd zijn nu parallelliteit bestaat tussen de externe en interne leningen, waardoor renteaftrek wel mogelijk is. De HR oordeelt dat om een dergelijke parallellie aan te tonen alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, waarbij in ieder geval looptijd, aflossingsschema, omvang en tijdstip van aangaan van de lening en rentevergoeding relevant zijn.

ECLI:NL:HR:2019:394

Meld u aan voor de Hoge Raad News Update