Veel grote opdrachtgevers zoals de Rijksoverheid, gemeenten, woningcorporaties en multinationals nemen in hun contracten met aannemers of in hun algemene voorwaarden op, dat de aannemer zijn vorderingen op deze opdrachtgever niet kan of mag verpanden of overdragen aan een andere partij. In deze barre tijden voor bouwbedrijven is dat onacceptabel.

Een dergelijk verbod heeft vergaande consequenties. Vorderingen mogen in dat geval niet meer worden verpand aan de bank en dat kan er toe leiden dat de bank onvoldoende dekking met zekerheden heeft voor het verstrekte krediet en andere zekerheden gaat vragen. Het wordt hoog tijd dat opdrachtgevers zich deze consequentie realiseren en het verpandingsverbod inperken. Het belang van de opdrachtgever bij een algemeen verpandingsverbod staat ook niet in verhouding tot de schade die dit bij bouwbedrijven in zwaar weer kan aanrichten.

Opdrachtgevers willen met het verpandingsverbod vaak voorkomen, dat een aannemer de vorderingen kan verkopen aan een externe partij die de vorderingen gaat innen. Probleem voor de opdrachtgever kan dan zijn, dat indien hij – al of niet terecht – facturen niet kan of wil betalen, te maken krijgt met een derde (de koper van de vordering) en niet met de aannemer waarmee hij het contract heeft gesloten. Het is op zich begrijpelijk dat opdrachtgevers dit niet willen.

Bij een algeheel verpandingsverbod wordt echter niet alleen de overdracht van de vorderingen uitgesloten, maar ook de mogelijkheid om met de debiteurenportefeuille zekerheid te stellen in het kader van gebruikelijke financieringsafspraken met de bank. De financiering van het aannemingsbedrijf kan daardoor ernstig bemoeilijkt worden, zeker nu. De waarde die de debiteuren vertegenwoordigen blijft dan immers ‘opgesloten’ en wordt niet benut voor het verkrijgen van financiering.

Opdrachtgevers dienen het verpandingsverbod te beperken, aldus dat verpanding van vorderingen wel is toegestaan, als het betreft het stellen van zekerheid in het kader van gebruikelijke financieringsafspraken met een bank. Overigens, ook de grote bouwbedrijven dienen dan een gelijke clausule op te nemen in hun onder-aannemingscontracten en hun algemene voorwaarden jegens onderaannemers. De bouw kan wel een zetje in de goede richting gebruiken.