De fiscale wetgever heeft in het kader van het Belastingplan 2018 voorgesteld om artikel 17 lid 2 Invorderingswet 1990 (hierna: “IW 1990”) te laten vervallen. Indien dit voorstel daadwerkelijk wordt ingevoerd, dan zou dit betekenen dat aan het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel van de Ontvanger niet langer schorsende werking toekomt. Dit kan grote gevolgen hebben voor uw onderneming.

De Ontvanger is belast met de invordering van (Rijks)belastingen. Indien uw onderneming belastingschulden heeft en deze schulden niet binnen de door de Ontvanger gestelde termijn voldaan kunnen worden, dan kunt u te maken krijgen met een dwangbevel van de Ontvanger. Dit is een van de meest krachtige bevoegdheden die de Ontvanger op grond van artikel 12 IW 1990 heeft. Door het uitvaardigen van een dergelijk dwangbevel verschaft de fiscus zichzelf, zonder enige rechterlijke toetsing, een executoriale titel. De Ontvanger kan vervolgens beslag leggen op, bijvoorbeeld, de bankrekeningen van uw onderneming.

Onder de huidige regelgeving biedt artikel 17 IW 1990 echter de mogelijkheid om verzet in te stellen indien u zich niet kunt verenigen met (het dwangbevel en) de executiemaatregelen. De tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel (en dus de executie) wordt door het instellen van verzet van rechtswege geschorst. Indien er reeds beslag gelegd was, dan krijgt dit beslag een conservatoir karakter.

Afwijzing van het verzet door de rechter ontneemt de schorsende werking van het verzet niet. Bovendien is het verzet pas uitgewerkt op het moment dat het afwijzende vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kortom: door de mogelijkheid van verzet en de schorsende werking daarvan wordt uw onderneming nog enige tijd uitstel van betaling gegund. Echter, indien de Ontvanger meent dat het verzet alleen op die grond is ingesteld en (dus) oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van verzet, dan kan hij in reconventie of via een kort geding opheffing van de schorsende werking van het verzet vorderen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een dergelijke vordering alleen wordt toegewezen indien het beroep van de belastingschuldige leidt tot misbruik van bevoegdheid. Van misbruik van bevoegdheid kan, bijvoorbeeld, sprake zijn indien het verzet is ingesteld op basis van gronden die bij voorbaat kansloos moeten worden geacht.

Al met al heeft u met de mogelijkheid van verzet een krachtig wapen in handen om tegenspel te kunnen bieden aan de bijzondere positie van de Ontvanger. De Belastingdienst heeft echter in de praktijk gesignaleerd dat het verzet (met name) wordt benut om de invordering te vertragen. Daarom heeft de fiscale wetgever in het kader van het Belastingplan 2018 voorgesteld om artikel 17 IW 1990 te laten vervallen, zodat aan het verzet geen schorsende werking meer toekomt en de invordering van belastingen geen vertraging oploopt.

Indien het voorstel daadwerkelijk wordt ingevoerd, dan dient u er zich van bewust te zijn dat dit verregaande gevolgen zou kunnen hebben voor uw onderneming indien uw onderneming wordt geconfronteerd met een (ten onrechte) uitgevaardigd dwangbevel en als gevolg daarvan beslag wordt gelegd op, bijvoorbeeld, de bankrekeningen van uw onderneming.