Uit de Monitor Wind op Land 2017 en het Plan van Aanpak Windenergie op land 2018 blijkt de voortgang van de doelstelling om in 2020 6.000 MW aan opgesteld vermogen windenergie op land te hebben. Er wordt weliswaar meer windenergie opgewekt, maar de doelstelling in 2020 wordt waarschijnlijk niet gehaald. Wij bespreken de knelpunten en hoe nu verder.

Monitor Wind op Land 2017

Jaarlijks voert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ("RVO") de Monitor Wind op Land ("Monitor") uit. In de Monitor rapporteert RVO over de voortgang en knelpunten in de planning om de doelstelling voor wind op land te behalen. Om de doelstelling van 6.000 MW in 2020 te behalen zijn tussen het Rijk en het Interprovinciaal Overleg afspraken gemaakt in 2014 en de Monitor geeft inzicht in de voortgang van die afspraken. Per provincie wordt een overzicht gegeven van de voortgang van de projecten, mogelijke knelpunten en maatregelen. Aan de hand daarvan wordt aan betrokkenen inzicht in de stand van zaken gegeven en kunnen acties in gang worden gezet om knelpunten weg te nemen.

Wij merken op dat de Monitor de stand van zaken op peildatum 31 december 2017 beschrijft en dat sindsdien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak) meerdere uitspraken heeft gedaan waardoor (grootschalige) windparken kunnen worden aangelegd, bijvoorbeeld Windpark De Drentse Monden en Oostermoer, Windpark Oostpolder en Windpark Fryslân. Tevens vindt in 2018 een groot aantal zittingen over windparken plaats, zoals de zitting over windpark Zeewolde van 4 en 5 juni 2018. In zekere zin is de inhoud van de Monitoring dus achterhaald: deze projecten zijn alweer verder gevorderd.

Enkele elementen uit de Monitor die ons opvielen:

  • Eind 2017 was er 3.249 MW operationeel vermogen. Dit is 54% van de landelijke doelstelling. Weliswaar is er een daling van 48 MW ten opzichte van 2016, maar dit is een tijdelijk effect als gevolg van de sloop van bestaande verouderde windturbines;
  • Circa 5.153 MW operationeel vermogen is naar schatting in 2020 haalbaar. Over een additionele 71 MW bestaat twijfel, omdat dit mogelijk (deels) haalbaar is vanwege vertraging door knelpunten (o.a. geschillen over grondposities) en/of de benodigde doorlooptijd van de procedures (voor vergunningen die in een later stadium alsnog worden aangevraagd). De resterende 776 MW is waarschijnlijk niet operationeel aan het eind van 2020. Wij merken hierbij op dat voor het in kaart brengen van het aandeel van in voorbereiding zijnde projecten RVO uitgaat van het moment van aanvragen van SDE+. Ondanks het gegeven dat dit een belangrijk moment is voor een project, omdat dat betekent dat de noodzakelijke vergunningen zijn verleend, betekent het aanvragen van SDE+ niet per definitie dat (spoedig) tot bouw van het windpark overgegaan kan worden. Het aanvragen van SDE+ is namelijk geen garantie voor het krijgen van SDE+ en de doorlooptijd van juridische procedures over grootschalige windparken loopt op. De weg van het aanvragen van SDE+ naar het leveren van elektriciteit kent dus nog wat hobbels.

Plan van Aanpak Windenergie op land 2018

Samen met de Monitor is het Plan van Aanpak Windenergie op land 2018 ("Plan van Aanpak") op 10 juli 2018 door de minister van Economische Zaken en Klimaat ("EZK") aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit Plan van Aanpak benoemt de Borgingscommissie van het Energieakkoord (Borgingscommissie) op project- en op algemeen niveau knelpunten en acties die de knelpunten kunnen wegnemen, welke deels in de Monitor terugkomen. Wij benoemen enkele knelpunten.

  • Sinds 1 januari 2017 zijn gedeputeerde staten van provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming. Provincies hebben te kennen gegeven dat zij een kennisachterstand op dit werkveld hebben, hetgeen vertragend werkt. Verder heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een aantal gevallen overwogen dat mitigerende maatregelen zijn voorgeschreven waarvan de noodzaak onvoldoende is onderbouwd en niet voldoende is geconcretiseerd. Door de tekortschietende onderbouwing is onduidelijk onder welke omstandigheden deze maatregelen precies zouden moeten worden toegepast en of deze maatregelen daarmee in de businesscase een disproportioneel negatief effect zouden kunnen hebben.

Wij vermoeden dat wordt gedoeld op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake windpark Wieringermeer en windpark Slufterdam, waarover wij al eerder blogs schreven (zie hier en hier). Het Plan van Aanpak beschrijft dat initiatiefnemers niet altijd het nut inzien van de opgelegde mitigerende maatregelen, zoals een stilstandvoorziening of monitoringverplichting. Verder zou de juridisering van dit dossier de versnelling van windprojecten in de weg staan. Enige nuancering van dit standpunt achten wij op zijn plaats: zoals ook de vernietigingen door de Afdeling bestuursrechtspraak aantonen, zijn de beoogde voorschriften voor verlening van ontheffing niet noodzakelijk. Oftewel, enkel het opleggen van de maatregelen leidt tot juridisering en vertraging van projecten. Zou het bevoegd gezag afzien van dergelijke voorschriften of eerst overeenstemming met initiatiefnemers over de invulling daarvan bereiken, kan een vertraging in de besluitvorming worden voorkomen.

  • Een veelgehoorde klacht is dat het Handboek Risicozonering Windturbines van RVO, dat dient als een praktijkrichtlijn voor het uitvoeren van een risicoanalyse voor windturbines, niet voldoende handvatten biedt voor de huidige stand van de techniek. Dit handboek zou onvoldoende ruimte bieden aan innovatieve ontwikkelingen en aan veranderende inzichten.

Naar ons idee is dit een terecht gesignaleerd knelpunt, onder meer vanwege beperkingen voor de realisatie van windturbines op bedrijventerreinen. Dergelijke terreinen zijn juist vanuit ruimtelijk en landschappelijk perspectief aantrekkelijk. Wij begrijpen dat er een actualisatie van het Handboek Risicozonering Windturbines op handen is: hopelijk kan dan ook meer flexibiliteit op dit punt worden geboden.

De weg naar 2020 en verder

Ondanks dat RVO voorziet dat het niet waarschijnlijk is dat de doelstelling in 2020 gehaald wordt, is de minister van EZK gematigd positief. Hij wijst op het vooruitzicht dat er meer windenergie op land wordt gerealiseerd dan gepland is. Ook benoemt hij dat hij met de provincies heeft afgesproken dat, als de 6.000 MW doelstelling niet tijdig gerealiseerd wordt, het restant van de opgave verdubbeld zal worden. Deze verdubbeling zal dan gerealiseerd worden in de periode 2021-2023. Een positieve ontwikkeling, mede gezien het voorstel voor de hoofdlijnen van het klimaatakkoord en de doorgroei van windenergie die daarin wordt voorzien.

Knelpunten in de praktijk

Uit onze praktijk herkennen wij de knelpunten die door de Borgingscommissie en RVO zijn gesignaleerd, maar wij zien ook dat veel van de knelpunten te voorkomen of op te lossen zijn. Het vroegtijdig bij elkaar brengen van verschillende partijen in een project brengt mogelijke knelpunten op een moment in kaart waarop deze nog snel en gemakkelijk geadresseerd kunnen worden. Niettemin zijn sommige knelpunten nooit volledig op te lossen: hierin moeten overheid, initiatiefnemers en omgeving realistisch blijven en een project daardoor niet laten gijzelen. Door dit te onderkennen, kan onnodige vertraging in de realisatie van windenergie op land worden voorkomen.