Een handelaar mag in België slechts twee maal per jaar onder de benaming 'solden', ‘koopjes’, ‘opruimingen’ of een gelijkaardige naam een verkoop houden. Artikel 27 en volgende van de Marktpraktijkenwet leggen de regels vast waaraan een onderneming moet voldoen om solden te kunnen organiseren en aan te kondigen. Tijdens de koopjes kunnen handelaars hun producten verkopen tegen sterk verlaagde prijzen, zodat ze kunnen overgaan tot de seizoensvernieuwing van hun assortiment. In tegenstelling tot andere vormen van prijspromoties, mag er in geval van koopjes zelfs verkocht worden met verlies. Een handelaar mag alleen 'koopjes' houden in de periodes voorzien door de wet, zijnde de winterkoopjes van 3 januari tot 31 januari en de zomerkoopjes van 1 juli tot 31 juli. Wanneer 3 januari of 1 juli echter op een zondag vallen, kunnen de koopjes de dag ervoor beginnen. Voor de start van de koopjes is er een sperperiode. Tijdens deze periode verbiedt de wet prijsverminderingen aan te kondigen of waardebonnen te verdelen voor de sectoren kleding, lederartikelen, fijne lederwaren en schoenen, voor zover de verminderingen en bonnen tijdens de sperperiode uitwerking hebben. Niets verhindert de onderneming evenwel om reeds tijdens de sperperiode de solden aan te kondigen voor zover de begindatum van de soldenperiode duidelijk vermeld wordt. Niets verhindert de onderneming evenmin om tijdens de sperperiode prijsverlagingen toe te passen voor zover deze verlagingen niet worden aangekondigd. Het gevolg van dergelijke prijsverlagingen is wel dat de verlaagde prijs de nieuwe referentieprijs wordt voor de prijsverminderingen tijdens de solden.

De sperperiodes lopen vooralsnog van 6 december tot en met 2 januari voor de winterkoopjes en van 6 juni tot en met 30 juni voor de zomerkoopjes. De wettelijkheid van deze sperperiodes in het licht van de Europese wetgeving werd in 2011 in vraag gesteld door het Europees Hof van Justitie en het Hof van Cassatie sprak zich in 2012 negatief uit over de wettelijkheid van sperperiodes onder de oude wet . Naar aanleiding hiervan en teneinde de sperperiode te kunnen blijven behouden, bevat het nieuwe wetsontwerp marktpraktijken dat op 24 september 2013 werd ingediend in het Parlement ook een aantal verduidelijkingen omtrent de sperperiode en de solden. De regels over de solden en de sperperiode worden vereenvoudigd en er wordt verduidelijkt dat deze periodes tot doel hebben de kleine handelaars te beschermen. De sperperiode wordt met 3 dagen verlengd in december en met 6 dagen in juni en zou dus in de toekomst van 3 december tot 3 januari en van 1 juni tot 1 juli lopen zodat ze zullen samenvallen met de voor de solden toe te passen referentieperiode voor de prijsverminderingen. De wijzigingen moeten een gezonde mededinging en eerlijke marktpraktijken tussen professionelen waarborgen, en op die manier de kleine winkelier beschermen. Aldus zouden de problemen met de Europese regels over de solden worden weggewerkt, volgens de minister van Economie en Consumenten, Johan Vande Lanotte, en minister van Zelfstandigen, Sabine Laruelle. Aan de overige voorwaarden voor de koopjes zal niets worden gewijzigd.

Het lijkt echter weinig waarschijnlijk dat ketens zoals ZEB en INNO die in het verleden reeds de wettelijkheid van de regeling aanvochten en gelijk kregen van de rechter, zich zomaar zullen neerleggen bij deze ‘verduidelijkingen’ omtrent wiens belangen er met de wettelijke regeling beschermd worden. Om uit het vaarwater van de Richtlijn oneerlijke praktijken te blijven wordt immers verduidelijkt dat alleen de belangen van de kleine handelaars worden beoogd en niet die van de consument. De vraag kan gesteld worden in hoeverre dergelijke aanpassingen en verduidelijkingen omtrent wiens belangen er al dan niet verdedigd worden, verenigbaar zijn met de finaliteit van de Richtlijn oneerlijke praktijken die juist tot doel heeft om de marktpraktijken in Europa te harmoniseren. In theorie zou volgens dergelijke ingreep ook het verbod op gezamenlijk aanbod weer kunnen worden ingevoerd , voor zover maar duidelijk gesteld wordt dat de maatregel de belangen van de concurrentie en de handelaars beoogt en niet die van de consument. Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Het is dus nog maar de vraag of het beoogd effect, nl. beëindiging van de discussie ter zake, door de wetswijziging zal worden bereikt.