Met de inwerkingtreding van de Wet Claw back op 1 januari 2014 eindigde een periode waarin diverse ondernemingsrechtelijke wetten in werking traden, waaronder de Wet bestuur en toezicht en de Flex-BV wetgeving. Op dit moment bereidt de wetgever enkele nieuwe wetsontwerpen voor. In de meeste gevallen staat daarin de rol van bestuurders en toezichthouders centraal. Zo ook in het voorontwerp Wet bestuur en toezicht rechtspersonen en binnen het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht. 

In het kader van verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht beoogt het voorontwerp Wet bestuur en toezicht rechtspersonen de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij verenigingen en stichtingen aan te scherpen en het toezicht door de rechter ruimer te formuleren. Tegelijkertijd is echter ook sprake van uniformering van regels voor bestuur en toezicht van alle rechtspersonen.

Het voorontwerp is met name een reactie op een reeks van incidenten in de semi-publieke sector (woningbouwcorporaties, zorg- en onderwijsinstellingen). De Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in semipublieke sectoren onderzocht deze incidenten en deed in haar onderzoeksrapport onder meer de aanbeveling om het interne toezicht bij deze semi-publieke instellingen te verbeteren. De wetgever heeft het voorontwerp echter een veel ruimer toepassingsbereik gegeven: alle verenigingen en stichtingen zullen eronder vallen. Bovendien wordt gedacht over de mogelijkheid om enkele regelingen voor alle rechtspersonen te uniformeren, zoals de tegenstrijdig belang regeling en de algemene bepaling die ziet op de taakvervulling door en verantwoordelijkheid en eventuele aansprakelijkheid van leden van een toezichthoudend orgaan. Voor naamloze vennootschappen (‘NV's’) en besloten vennootschappen (‘BV's’) zal dit niet tot grote wijzigingen leiden maar voor verenigingen en stichtingen betekent het een aanzienlijke verscherping van het regelgevend kader.

Meest in het oog springend is wellicht de bepaling die ziet op de bijzondere, hoofdelijke aansprakelijkheid van iedere bestuurder, respectievelijk iedere interne toezichthouder (en enkele anderen) voor het tekort van de boedel indien het bestuur, respectievelijk het toezichthoudend orgaan zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld (in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement) en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In de huidige wet vinden we deze regel terug in Boek 2 BW voor de NV en de BV. De bepaling voor de NV is bovendien van overeenkomstige toepassing verklaard voor bestuurders van verenigingen en stichtingen die aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen en hun financiële verslaggeving met toepassing van Titel 9 Boek 2 BW moeten opstellen. In de voorgestelde bepaling wordt het toepassingsbereik zodanig verruimd, dat de regeling zal gelden voor alle rechtspersonen ongeacht of zij zijn onderworpen aan de heffing van de vennootschapsbelasting en de vraag of Titel 9 Boek 2 BW op hen van toepassing is en worden bovendien ook de toezichthouders van stichtingen en verenigingen daardoor geraakt.

In het voorontwerp wordt ook voorgesteld om de mogelijkheden waarbij bestuurders en toezichthouders van verenigingen en stichtingen door de rechtbank kunnen worden ontslagen uit te breiden. Bovendien is  volgens de wetgever een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor de instelling van een toezichthoudend orgaan gewenst.

Het is opvallend dat in het voorontwerp niet de mogelijkheid tot het instellen van een one-tier board voor de vereniging en stichting is opgenomen. Daaraan zou volgens de wetgever geen behoefte bestaan, terwijl deze mogelijkheid recent wel is ingevoerd voor pensioenfondsen gedreven in de vorm van een stichting. Het ligt in de lijn der verwachting dat het definitieve wetsontwerp wel de mogelijkheid van een one-tier board voor de vereniging en stichting zal bevatten.

Ook binnen het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht wordt momenteel nieuwe regelgeving voorbereid. In april 2014 heeft de Raad van State geadviseerd (het advies is nog niet openbaar) over het voorontwerp Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude. Met dit voorontwerp wordt beoogd om de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen faillissementsfraude te verbeteren. Een van de maatregelen is het strafrechtelijk sanctioneren van de administratie- en bewaarplicht (artikel 2:10 BW jo. 3:15i BW). Onder het huidige recht is overtreding van de administratie- en bewaarplicht slechts strafbaar indien het vooruitzicht op het intreden van het faillissement, en in het verlengde daarvan opzet op de benadeling van schuldeisers, kan worden bewezen. Voorgesteld wordt nu om deze laatste eis te laten vervallen. De gedachte hierachter is dat een onvolledige administratie vrijwel altijd nadelige gevolgen voor de rechten van schuldeisers kan hebben. Het niet-naleven van de administratieverplichtingen zal volgens het voorontwerp bovendien, ook onafhankelijk van het intreden van een faillissement, zelfstandig worden aangemerkt als economisch delict.

In het voorontwerp Wet Civielrechtelijk bestuursverbod wordt voorgesteld om de curator en het Openbaar Ministerie de mogelijkheid te bieden om de civiele rechter te verzoeken bestuurders die zich tijdens of in de drie jaar voorafgaand aan een faillissement schuldig hebben gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur, een bestuursverbod op te leggen van (maximaal) vijf jaar. Het doel is om faillissementsfraude effectiever te kunnen bestrijden en om te voorkomen dat frauderende bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten. In januari 2014 heeft de Raad van State advies uitgebracht over dit wetsontwerp. Omdat vanuit de praktijk kritisch op het voorontwerp is gereageerd, is nog onduidelijk hoe de tekst van het definitieve wetsvoorstel zal luiden. De verwachting is dat dit wetsvoorstel spoedig bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.