Een verzekeringnemer moet de verzekeraar volledig informeren over alle feiten die relevant zijn, zowel voorafgaand aan het sluiten van de verzekering als tijdens de looptijd ervan. De Hoge Raad heeft in een recente verzekeringszaak (HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311) geoordeeld dat de uitleg van artikel 7:930 en 7:941 BW identiek moet worden geacht.

Wat houdt de mededelingsplicht in?

De mededelingsplicht is relevant in twee fases. De eerste fase betreft de periode voorafgaand aan het afsluiten van de verzekering. Op de aspirant-verzekerde rust in die fase de verplichting om alle relevante (gevraagde) informatie aan de verzekeraar te verstrekken die voor de verzekeraar van belang is of, en zo ja, op welke voorwaarden de verzekeraar de verzekering zal willen afsluiten. De verzekeraar is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeringnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst de mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet de verzekeraar te misleiden (artikel 7:930 lid 5 BW).

De tweede fase waarin de mededelingsplicht relevant is, is de periode nadat het risico zich heeft verwezenlijkt. Artikel 7:941 BW bepaalt dat de verzekeringnemer, of de tot uitkering gerechtigde, zodra hij van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is of behoort te zijn, hij verplicht is dit zo spoedig mogelijk te melden aan de verzekeraar gedurende de looptijd van de verzekering (artikel 7:941 lid 1 BW). Binnen een redelijke termijn dient alle informatie te worden verschaft die voor de verzekeraar van belang is om zijn uitkeringsplicht te beoordelen (7:941 lid 2 BW). Het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer haar verplichtingen uit artikel 7:941 lid 1 en 2 BW niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden.

Waar de artikelen 7:928 en 7:930 BW zien op (schending van) de mededelingsplicht bij het aangaan van een verzekering, heeft artikel 7:941 BW betrekking op de mededelingsplicht in verband met het recht op uitkering nadat de verzekeringsovereenkomst is aangegaan en het verzekerde risico zich heeft verwezenlijkt.

Uitspraak Hoge Raad

In de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2020 stond de informatieplicht van de verzekerde na verwezenlijking van het risico centraal. Het geschil ging om een arbeidsongeschiktheidsverzekering en de vraag of er sprake was van een schending van de mededelingsplicht door geen mededeling te doen van uitbreiding van de werkzaamheden van verzekerde gedurende zijn arbeidsongeschiktheid. Daarbij moest worden geoordeeld of de verzekeringnemer met de schending van de in artikel 7:941 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden.

De Hoge Raad oordeelt daarover als volgt. De artikelen 7:930 en 7:941 BW regelen op vergelijkbare wijze en, wat betreft het opzet tot misleiding, in gelijke bewoordingen, in welk geval de meest vergaande sanctie (algeheel verval van het recht op uitkering) kan worden verbonden aan schending van een mededelingsplicht.

Daarbij gaat het om een mededelingsplicht die van belang is voor de beoordeling door de verzekeraar van zijn bereidheid tot dekking van het desbetreffende risico, respectievelijk van zijn gehoudenheid tot uitkering nadat het risico is verwezenlijkt. Er bestaat dan ook goede grond om aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in artikel 7:941 lid 5 BW een betekenis toe te kennen die aansluit bij de betekenis die daaraan toekomt in het kader van artikel 7:930 lid 5 BW.

Het ligt voor de hand om opzet tot misleiding in artikel 7:941 lid 5 BW op dezelfde wijze uit te leggen als de bepaling in artikel 7:930 lid 5 BW.

In zijn uitspraak van 25 maart 2016 (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507) heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij art. 7:928 BW en art. 7:930 lid 5 BW, de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in laatstgenoemde bepaling aldus uitgelegd dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer niet aan zijn in art. 7:928 BW bedoelde mededelingsplicht heeft voldaan met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. De uitspraak van 25 maart 2016 is dus ook relevant voor de vraag of de verzekeringnemer “de opzet had om de verzekeraar te misleiden” in de zin van artikel 7:941 lid 5 BW.

Het voorgaande brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag of de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden, dient te worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.