De gemeenteraad is bevoegd tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in het kader van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 aanhef sub a en onder 3 Wabo (de projectomgevingsvergunning). Hoewel de bevoegdheid tot verlening van een dergelijke vergunning berust bij het college van burgemeester en wethouders, is het college niet bevoegd een ontwerpbesluit voor de vvgb voor te bereiden en ter inzage te leggen. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2018.

Juridisch kader

Indien een omgevingsvergunning voor bouwen in strijd met het bestemmingsplan wordt aangevraagd, wordt de aanvraag op grond van artikel 2.10 lid 2 Wabo automatisch aangemerkt als een aanvraag om omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo. De aanvraag voor bouwen wordt slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is. Artikel 2.12 lid 1 aanhef en onder a Wabo kent drie categorieën voor het mogelijk maken van planologisch strijdig gebruik, te weten categorie A1: de binnenplanse afwijking; categorie A2: de zogenoemde kruimelgevallen-regeling (artikel 2.7 Bor jo artikel 4 bijlage II Bor); en categorie A3: een omgevingsvergunning waarvoor een goede ruimtelijke onderbouwing vereist is. De verlening van vergunning op grond van categorie A3 – de projectomgevingsvergunning – vereist een vvgb van de gemeenteraad. Dit is enkel anders indien de raad op grond van artikel 6.5 lid 3 Bor bepaalde categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een vvgb niet vereist is en het betrokken project binnen een van die categorieën past. Is een vvgb vereist, dan kunnen op grond van artikel 3.11 lid 3 Wabo ook zienswijzen tegen het ontwerp van de vvgb worden ingediend.

Uitspraak Afdeling

De Afdelingsuitspraak van 9 mei 2018 ging om de afwijzing van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van 34 woonstudio’s. De gemeenteraad had geweigerd een vvgb voor dit project te verlenen, met het gevolg dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning had afgewezen. De rechtbank heeft het besluit tot afwijzing vernietigd, onder meer omdat er geen ontwerpbesluit van de raad over het geven van de vvgb ter inzage was gelegd.

In hoger beroep betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de door het college gevolgde werkwijze onrechtmatig is. Het college heeft een raadsvoorstel en een ontwerpbesluit voor een vvgb, strekkende tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning, voorbereid. Deze zijn samen met het ontwerp van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Volgens het college doet deze werkwijze geen afbreuk aan de zelfstandige beslissingsbevoegdheid van de raad, nu de raad het definitieve besluit over het geven van een verklaring van geen bedenkingen neemt.

De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wabo (Kamerstukken II, 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 113-114, 126-127) dat het bevoegd gezag, wanneer een aanvraag om omgevingsvergunning is ontvangen, beoordeelt of er aspecten zijn waaromtrent een ander bestuursorgaan een vvgb moet afgeven. Indien dat het geval is, zendt het de aanvraag zo spoedig mogelijk aan het orgaan dat bevoegd is de verklaring te geven. Het ontwerp van de beslissing omtrent de vvgb doorloopt dezelfde procedure als het ontwerpbesluit. Dit houdt in dat ten aanzien van beide onderdelen zienswijzen kunnen worden ingediend. De beoordeling en eventuele verwerking daarvan in de definitieve beslissing over de vvgb geschieden door het orgaan dat bevoegd is de verklaring te geven. Een vvgb is in dit kader niet zozeer een goedkeuringsinstrument, maar dient een ander bestuursorgaan te laten beslissen omtrent een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegd gezag is onttrokken. Aangezien het college in deze zaak het ontwerpbesluit over de vvgb had opgesteld, terwijl de raad het bevoegde bestuursorgaan is in het kader van de vvgb, heeft appellant niet de mogelijkheid gehad zienswijzen in te dienen naar aanleiding van het standpunt van de raad. Dit is in strijd met artikel 3.11 Wabo.

Observaties

Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt kortom dat het college niet bevoegd is een ontwerp-vvgb voor te bereiden en ter inzage te leggen. Dat oordeel past binnen haar eerdere jurisprudentie over de bevoegdheid van de raad met betrekking tot het verlenen van de vvgb. Deze bevoegdheid mag niet doorkruist worden door inmenging van het college (zie in dit kader ook een eerder blog over vvgb’s en de bevoegdheid van de raad). Ondanks dat inmenging van het college tot kortere procedures zou kunnen leiden, blijkt de gemeenteraad te allen tijden het bevoegde orgaan ten aanzien van de vvgb.