Overview

Moet bij de toepassing van de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds in het geval van een groep (concern) rekening worden gehouden met de werkzaamheden van alle groepsvennootschappen of moet deze voor iedere groepsvennootschap afzonderlijk worden bepaald?

De Rechtbank Midden-Nederland heeft in een recente uitspraak aangegeven dat gekeken moet worden naar de activiteiten van de in de groep verbonden entiteiten, hoewel de Hoge Raad hier anders over lijkt te denken.

Contents

  1. Inhoud
  2. Achtergrond
  3. Oordeel van de rechter
  4. Anders de Hoge Raad
  5. Tips voor de praktijk

Inhoud

In de praktijk komt vaak de vraag op of bij de uitleg van de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of een CAO bij in een groep (concern) verbonden rechtspersonen moet worden uitgegaan van de bedrijfsactiviteiten van de afzonderlijke groepsvennootschap of dat de bedrijfsactiviteiten van alle groepsvennootschappen als één geheel moeten worden beschouwd.

Achtergrond 

In de casus van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:4029) bestuurde een moederstichting twee dochterstichtingen en verzorgde de moederstichting ook de administratie van de twee dochters. De dochterstichtingen exploiteren huizen en dagverblijven voor ernstig meervoudig en/of verstandelijk gehandicapten. Niet ter discussie stond dat de werkzaamheden van de dochterstichtingen onder de werkingssfeer vielen van het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). De beide dochterstichtingen waren dan ook aangesloten bij PFZW. Volgens PFZW zou de moederstichting ook onder de verplichtstelling vallen, omdat de moederstichting naast bestuurlijke/administratieve activiteiten, zorgdiensten verleent. PFZW stelde dat de werkzaamheden van de werknemers van de moederstichting verband houden met de activiteiten van de groep, de activiteiten van de moederstichting zijn niet los te maken van deze activiteiten en genereren op zichzelf geen economische waarde. PFZW stelde daarnaast dat de activiteiten van de groep voor de toepassing van de verplichtstellingsbeschikking moeten worden toegerekend aan alle tot de groep behorende rechtspersonen, zodat ook de moederstichting moest worden gekwalificeerd als werkgever in de intramurale en/of extramurale zorg en/of in de jeugdzorg.

De moederstichting stelde dat haar activiteiten onder zakelijke dienstverlening vallen, nu zij als bestuurder van de twee dochterstichtingen uitsluitend administratieve werkzaamheden uitoefent. Ze verleent zelf geen zorg en er zijn ook geen zorgverleners in dienst.

​Oordeel van de rechter

De kantonrechter overweegt dat partijen het er terecht over eens zijn dat alle werknemers van een rechtspersoon die intramurale en/of extramurale zorg of hulp verleent, onder de verplichtingstellingsbeschikking vallen en dus ook de werknemers die geen feitelijke zorg verlenen, zoals schoonmakers en portiers. Het feit dat sommige ondersteunende werkzaamheden aan een andere rechtspersoon binnen hetzelfde concern worden uitbesteed, maakt het volgens de rechter niet anders. Daarbij overweegt de kantonrechter onder meer dat:

  • de moederstichting deze niet direct zorg verlenende werkzaamheden ten behoeve van de dochters verricht en dat dit met name een praktische reden heeft;
  • de moederstichting geen werkzaamheden verricht voor andere werkgevers in de zorg dan de twee dochters en in feite dus geen zelfstandig opererende rechtspersoon is;
  • zonder de door de moederstichting verrichte werkzaamheden de dochters de feitelijke zorg niet kunnen verlenen;
  • op de website de hele groep als één entiteit wordt gepresenteerd; en
  • in de inschrijving van de moederstichting in het handelsregister en de doelomschrijving in de statuten wordt verwezen naar zorgactiviteiten.

De kantonrechter komt derhalve tot het oordeel dat de moederstichting enerzijds en de beide dochters anderzijds niet zonder elkaar kunnen opereren. De door de dochters te verlenen zorg kan niet zonder bijstand van de moederstichting worden verleend. Indirect verleent de moederstichting daarmee dus ook zorg, aldus de kantonrechter. Voor de reikwijdte van de verplichtstellingsbeschikking moeten de moederstichting en de beide dochters als één geheel worden gezien, en dat dus ook de moederstichting onder de werkingssfeer daarvan valt.

Daarbij overweegt de kantonrechter nog dat een ander oordeel tot het onaannemelijke rechtsgevolg zou leiden dat een zorgverlenende organisatie door bepaalde, niet uit het feitelijk verlenen van zorg bestaande werkzaamheden in een andere rechtspersoon, deel uitmakende van die organisatie, onder te brengen zou kunnen bepalen welke werknemers bij PFZW wel pensioen opbouwen en welke niet. Dit zou bovendien afbreuk doen aan de solidariteitsgedachte die aan de toepasselijke wet ten grondslag ligt.

Anders de Hoge Raad 

Deze uitspraak wijkt af van het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2171). Daarin was de vraag aan de orde of in het geval vier vennootschappen deel uitmaken van een groep, de toepasselijkheid van de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie voor elke vennootschap afzonderlijk bezien moest worden of als groep. Daarbij hadden de werkzaamheden van één van de vennootschappen betrekking op de staf of waren ondersteunend van aard ten behoeve van de andere vennootschappen. De Hoge Raad oordeelde dat bij de uitleg van het ondernemingsbegrip uit de CAO voor de Gemaksvoedingindustrie voor iedere rechtspersoon afzonderlijk moest worden bezien of de CAO van toepassing is. Dit sloot volgens de Hoge Raad aan bij de definitie van werkgever in deze CAO: "een (natuurlijke of rechts-)persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst een of meer werknemers in dienst heeft in zijn onderneming".

Tips voor de praktijk 

De uitleg van de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of CAO is in de praktijk vaak lastig. De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland toont aan dat dit zelfs nog lastiger kan zijn indien er meerdere groepsvennootschappen met verschillende activiteiten zijn. Het is dan ook van groot belang om de toepassing van de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds of CAO op voorhand goed in kaart te (laten) brengen, maar ook regelmatig te toetsen of de werkzaamheden nog wel aansluiten op de werkingssfeer.