Op 29 mei 2013 heeft de Afdeling zich gebogen over de vraag in hoeverre concurrenten belanghebbenden kunnen zijn in een subsidieprocedure (ECLI:NL:RVS:2013:CA1378). Bijzonder aandachtspunt daarbij was dat de concurrenten een beroep deden op de staatssteunregels, waardoor de zaak een Unierechtelijke dimensie kreeg.

In de procedure had de minister van OC&W een subsidie verleend aan Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB) voor het uitoefenen van het beheer van door de overheid geheel of gedeeltelijk gesubsidieerde activiteiten en voorzieningen van Nederlands onderwijs in het buitenland. Edufax en de Wereldschool wendden rechtsmiddelen aan tegen deze subsidieverlening. De Afdeling beoordeelt in deze uitspraak of Edufax en Wereldschool aangemerkt kunnen worden als belanghebbende in de zin van de Awb.

De Afdeling overweegt allereerst dat een derde op grond van zijn concurrentiepositie kan worden aangemerkt als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Daarbij kan worden meegewogen dat de met subsidie ondersteunde bedrijfsactiviteiten kunnen leiden tot omzetverlies bij de derde. Voorts kunnen ook potentiële concurrenten als belanghebbende worden aangemerkt indien zij concrete plannen hebben en zijn begonnen met de uitvoering daarvan.

Met betrekking tot de Unierechtelijke dimensie oordeelt de Afdeling dat artikel 1:2 Awb en bovenstaande algemene overweging over dit artikel niet in strijd met het Unierecht is. Het is verder aan de partij die stelt (potentiële) concurrent te zijn, om dit aannemelijk te maken. Deze bewijslast rust dus op de appellant en niet op het bestuursorgaan of de bestuursrechter. Ook dit is niet in strijd met de Unierechtelijke onderzoeksplicht die op de nationale rechter rust naar de aanwezigheid van mogelijke staatssteun.

Met betrekking tot de vraag of concurrenten belanghebbenden zijn, is ook de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0691) interessant. Deze uitspraak heeft betrekking op de vaststelling van een bestemmingsplan. Een hotelontwikkelaar komt op tegen een bestemmingsplan dat een hotel op een afstand van 1,3 km van zijn geplande hotel mogelijk maakt. De Afdeling overweegt dat slechts het voornemen om mogelijk in de toekomst binnen hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied een project uit te voeren onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een voldoende objectief bepaalbaar en actueel belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. De ontwikkelaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar plannen ten tijde van de afloop van de beroepstermijn voldoende concreet waren om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen. De Afdeling acht hierbij ook van belang dat de realisering van het hotel nog afhankelijk was van nadere besluitvorming van het gemeentebestuur, waaronder een herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.