Er wordt veel geprocedeerd over de vraag of er omzetbelasting of overdrachtsbelasting verschuldigd is bij de verkrijging van vastgoed. Voor de meeste ondernemers is omzetbelasting (doorgaans) een aftrekpost, terwijl overdrachtsbelasting altijd een kostenpost is.

De ‘samenloopregeling’ bepaalt dat als er van rechtswege omzetbelasting verschuldigd is, er in beginsel geen overdrachtsbelasting verschuldigd is. Er is onder meer van rechtswege omzetbelasting verschuldigd als er sprake is van de levering van een nieuw vervaardigd goed.

Het arrest van de Hoge Raad van 8 maart jongstleden (LJN: BZ3574) pakte gunstig uit voor de ondernemer.

Casus

Het ging om de verkrijging door een ondernemer van een winkelruimte die oorspronkelijk in gebruik was als supermarkt. Op een deel van de winkel bevonden zich vier wooneenheden. Deze vier wooneenheden en het deel van de winkel dat zich daaronder bevond, waren gesplitst in vijf appartementsrechten. Voorafgaand aan de verkrijging van de winkel door de ondernemer zijn ingrijpende (sloop)werkzaamheden aan de winkel verricht: het dak (voor zover dit niet de vloer van de wooneenheden vormde), de gevels, de binnenmuren, en een deel van zowel de fundering als de vloer zijn verwijderd. Alleen de dragende constructie voor de wooneenheden werd gehandhaafd. In de aldus ontstane open ruimte is een nieuwe, kleinere winkel gerealiseerd, die in gebruik is genomen als modezaak. Het overige deel van deze ruimte was op het tijdstip van de levering aan de ondernemer onbebouwd.

Geschil

Tussen de ondernemer en de inspecteur is in geschil of de ondernemer overdrachtsbelasting is verschuldigd. De ondernemer stelt dat de verkrijging van de winkel is vrijgesteld van overdrachtsbelasting omdat door de werkzaamheden een nieuw vervaardigd goed is voortgebracht, zodat de levering van de winkel van rechtswege was belast met omzetbelasting.

Oordeel Hof

Het Hof volgt dit standpunt niet en oordeelt dat niet uitsluitend kan worden gelet op de winkel, maar dat naar het gebouw in zijn geheel moet worden gekeken. Vervolgens oordeelt het Hof dat (i) de functie van het gebouw niet is gewijzigd en dat (ii) de werkzaamheden niet van zodanig ingrijpende aard zijn geweest dat daardoor een gebouw is ontstaan dat tevoren niet bestond.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad maakt korte metten met het oordeel van het Hof en doet de zaak zelf af: Voor de heffing van omzetbelasting kan sprake zijn van de levering van een gedeelte van een gebouw. Dat doet zich voor indien een gebouw horizontaal is gesplitst (in appartementsrechten) of indien een gebouw verticaal is gesplitst. De winkel moet daarom als zelfstandige zaak worden aangemerkt. De omstandigheid dat van de winkel als gevolg van de (sloop)werkzaamheden niet meer dan de draagconstructie onder de wooneenheden in stand is gebleven, laat geen andere conclusie toe dan dat de winkel zodanig is verbouwd dat in wezen sprake is van nieuwbouw en dus van een (nieuw) vervaardigd goed.

Conclusie: de ondernemer is van rechtswege omzetbelasting verschuldigd en geen overdrachtsbelasting.

Dat bij de beoordeling of een nieuw vervaardigd goed is voortgebracht de appartementsrechten als afzonderlijke goederen in aanmerking moeten worden genomen, is niet eerder met zoveel woorden gezegd, maar sluit aan bij eerdere uitspraken van de Hoge Raad.