Er wordt in het Zomerakkoord aangekondigd om de vennootschapsbelasting voor KMO’s op het nettoresultaat tot 100.000 euro te verlagen tot 20,4% in 2018 en tot 20% in 2020. Voorwaarden zullen gelden inzake aandeelhouderschap, belegde activa en minimum bedrijfsleiderbezoldiging. Daarenboven moet de vennootschap een “kleine vennootschap” (KMO) zijn. Boven 100.000 euro zou het normaal tarief gelden (29,58% vanaf 2018 en 25% vanaf 2020).

De voorwaarde met betrekking tot de minimumbezoldiging uitgekeerd aan ten minste één van de bedrijfsleiders wordt gewijzigd. Het bedrag wordt opgetrokken van 36.000 euro naar 45.000 euro, tenzij dat bedrag het belastbaar resultaat van de vennootschap niet evenaart of overstijgt.

De vennootschap zou bij onvoldoende bedrijfsleidersbezoldiging het voordeel van het verlaagd tarief verliezen, en er zou op het tekort een aanslag van 10% worden toegepast. Die sancties zouden niet gelden in de eerste vier jaar na oprichting en de bijzondere aanslag zou aftrekbaar zijn in de vennootschapsbelasting.

De gunstregimes inzake roerende voorheffing op dividenduitkeringen zouden worden behouden. Het gaat enerzijds over de verlaging tot 15% voor dividenden uitgekeerd na drie boekjaren uit aandelen verkregen bij inbreng van cash en anderzijds over de liquidatiereserve, die een verlaging van de RV tot 9,09% toelaat bij vereffening.

Bij uitkering van de minimumbezoldiging zal het mogelijk zijn om een totale effectieve (para)fiscale druk te realiseren van net onder 31% tot rond 36% (net onder 32% tot rond 39% bij een normale vennootschapsbelasting van 29,58%). Indien er geen bezoldiging wordt uitgekeerd zou de totale fiscale druk liggen tussen 36% en 43% of tussen 32% en 40% (respectievelijk bij een vennootschapsbelasting van 29,58% en 25%).