Tweede Kamerlid Ard van der Steur (VVD) en Magda Berndsen (D66) en Jeroen Recourt (PvdA) denken momenteel na over een wijziging van de partneralimentatiewetgeving. In het TNS NIPO onderzoek uit 2012 dat in opdracht van de vFAS is uitgevoerd bleek al dat 2/3e deel van de gescheiden Nederlanders vindt dat de maximale termijn voor partneralimentatie maximaal 5 jaar moet duren. Het zal nog even duren voordat de ideeën van voornoemde bewindslieden ook daadwerkelijk wet zullen zijn. Hoe hiermee om te gaan in de tussenliggende tijd?

Een rechter kan op dit moment al op grond van de wet bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling of wijziging zich ook een oordeel vormen over de periode dat een bijdrage moet worden betaald. Ook kan de rechter zich buigen over een periodieke afbouw. Let wel: om een dergelijke afbouw moet dan wel zijn verzocht. Als door de advocaat in kwestie niet wordt verzocht om een periodieke afbouw kan een rechter een dergelijke afbouw ook niet opleggen. 

Een recent voorbeeld uit de jurisprudentie Gerechtshof Arnhem d.d. 21 maart 2013 (LJN BZ8291) leert het volgende. Aan de hand van behoefte en draagkracht stelde het Gerechtshof in deze procedure vast dat de man een bijdrage moest voldoen van € 2.177,= bruto per maand. De man verzocht echter ook om afbouw van zijn alimentatieverplichting met 33% per jaar, aldus tot nihil in de periode van drie jaren.

Het hof dient te beoordelen of het in dat geval redelijk is dat de alimentatieplicht wordt afgebouwd. Het hof stelt vast dat partijen pas op gevorderde leeftijd het geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan. De man was al gepensioneerd en de vrouw was destijds 55 jaar. Vast staat dat het inkomen van de vrouw voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap nagenoeg gelijk is aan de eigen inkomsten van de vrouw na beëindiging van het geregistreerd partnerschap.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook verklaard dat zij geen verschil ziet in haar situatie zoals die nu is (na ontbinding van het geregistreerd partnerschap met de man) en zoals deze was voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap met de man. Tijdens het geregistreerd partnerschap hebben beide partijen hun zelfstandige levensstijl, zoals zij die invulden vóór het geregistreerd partnerschap, zoveel mogelijk gehandhaafd, aldus de verklaringen van de vrouw.

Wél was de levensstandaard/welstand waarin de vrouw tijdens het geregistreerd partnerschap met de man, voor de duur van ruim 9 jaar, heeft verkeerd hoger dan de levensstandaard die de vrouw gewend was vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap met de man. Onder die omstandigheden gaat het hof er van uit dat de vrouw geen financieel nadeel heeft ondervonden van het geregistreerd partnerschap.

Gelet op het voorgaande, de leeftijd van partijen, de duur van het geregistreerd partnerschap, de omstandigheid dat de vrouw eigen middelen van bestaan had en heeft en met name de omstandigheid dat het geregistreerd partnerschap van partijen in dit geval geen nadeel heeft opgeleverd maar heeft geleid tot behoefteverhoging, acht het hof het redelijk dat van de vrouw kan worden gevergd dat zij op redelijke termijn weer aan een levensstandaard gaat wennen die gewend was van vóór het geregistreerd partnerschap. Het hof acht het niet redelijk om in dit geval van de man te vergen dat hij voor de termijn van 12 jaar de levensstandaard naar draagkracht aanvult tot het niveau van gedurende het geregistreerd partnerschap van partijen.

Het hof vond een afbouw van de partneralimentatie in een periode van vijf jaren redelijk.

Het hof heeft vervolgens de alimentatieverplichting van de man jaarlijks verminderd met 20%. Na 5 jaar hoeft de man geen bijdrage meer te voldoen. Dit terwijl de maximale termijn 12 jaar is. Een verkorting van 7 jaar ! De vrouw heeft in die 5 jaren volgens het hof voldoende gelegenheid om te wennen aan een levensstandaard die zij voor het aangaan van het geregistreerd partnerschap met de man ook gewend was.

Conclusie

Ook nu het wetsvoorstel nog enige tijd laat wachten is het aan de orde stellen van een afbouw en beëindiging van de onderhoudsverplichting mogelijk. Ook onder het huidige recht zal met in achtneming van alle omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld gedurende welke periode van een onderhoudsplichtige kan worden gevergd dat hij een bijdrage ontvangt. Dit is dus niet altijd 12 jaar, ook niet onder het huidige recht.