Op insolventiegebied heeft de Hoge Raad in 2016 een aantal interessante uitspraken gedaan.

In het arrest Rabobank/Reuser q.q. oordeelt de Hoge Raad dat een koper van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken een geldig pandrecht kan verlenen aan zijn financier/pandhouder op zijn voorwaardelijke eigendomsrecht ten aanzien van die zaken. Dat voorwaardelijke eigendomsrecht kan na faillissement van de koper door betaling van de verkoper uitgroeien tot een vol eigendomsrecht, waardoor de zaken aan de pandhouder toekomen (en niet in de faillissementsboedel vallen). Het is prettig dat er eindelijk helderheid is gekomen op dit voor de praktijk belangrijke leerstuk.

Een andere interessante uitspraak van de Hoge Raad betrof het arrest Rabobank/Verdonk q.q. waarin de curator meende dat bepaalde vorderingen van zijn curanda niet verpand waren en voortvarend tot inning van deze vorderingen en uitbetaling van zijn salaris overging. De Hoge Raad oordeelde weliswaar dat de boedelvordering van de bank (de pandhouder) wegens schadevergoeding voor onrechtmatig door de curator geïnde verpande vorderingen niet voorgaat op de kosten van executie en vereffening (waaronder begrepen salaris en verschotten van de curator), maar dat dit onverlet laat dat de curator natuurlijk onder omstandigheden wel privé (pro se) onrechtmatig kan handelen wanneer hij vorderingen int waarvan hij weet of behoort te weten dat deze verpand zijn aan een derde.

Laten we hopen dat ook in 2017 weer veel uitspraken worden gewezen die de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid vergroten. Persoonlijk hoop ik dat de Hoge Raad zoveel mogelijk 'het systeem van de wet' in acht houdt en zo min mogelijk uitzonderingen op het systeem toelaat. Het (recente) verleden heeft geleerd dat 'gelegenheidsuitspraken', die in sommige gevallen wellicht recht doen aan het rechtvaardigheidsgevoel in een individuele zaak, vaak rechtsregels bevatten die later door de Hoge Raad sterk genuanceerd of teruggenomen dienen te worden omdat zij gewoonweg niet passen in het stelsel van de wet, of omdat deze rechtsregels verder reikende gevolgen hadden die niet door de Hoge Raad voorzien waren.

Sinds 2012 worden er elk jaar minder faillissementen van bedrijven in Nederland uitgesproken. Zekerheid is er niet, maar de algemene verwachting is dat ook 2017 die trend blijft volgen.

Op wetgevingsterrein is ook het één en ander te verwachten. Zo is de wet versterking positie curator inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wordt beoogd om de curator meer een fraudesignalerende rol te geven en hem te betrekken bij het doen van aangifte bij de bevoegde instanties wanneer onregelmatigheden worden aangetroffen. Voorts wordt in deze wet geregeld dat de inlichtingenplicht van derden jegens de curator ook geldt voor accountantsorganisaties en zelfstandige accountants. De Wet Continuïteit Ondernemingen I (WCO I) is medio 2016 door de Tweede Kamer aangenomen en de eerste Kamercommissie bespreekt deze maand het verdere verloop van het wetgevingstraject. De WCO I is veelvuldig in het nieuws geweest omdat het de rechtbank de mogelijkheid biedt om voorafgaand aan een eventueel faillissement een beoogd curator en beoogd rechter-commissaris aan te wijzen. Hiermee wordt de afwikkeling van een faillissement en de kansen op voortzetting van een onderneming of van een doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen verbeterd.

Met dit voorstel kan een mogelijk aankomend faillissement van een onderneming in relatieve rust worden voorbereid en daarmee de eventuele kansen op een verkoop van rendabele onderdelen van de onderneming tegen een zo hoog mogelijke prijs vergroot. De mogelijkheid van een dergelijke "stille fase" waarin een faillissement zo goed mogelijk wordt voorbereid wordt in de praktijk op dit moment al door 8 van de 11 rechtbanken toegepast. Mocht WCO I uiteindelijk kracht van wet krijgen, dan kan in de toekomst bij alle rechtbanken om toepassing van de stille bewindvoering worden verzocht.

Zoals de naam WCO I reeds deed vermoeden, is er ook een WCO II en zelfs een WCO III (die nog in departementale voorbereiding is). De WCO II strekt ertoe in de Faillissementswet een regeling in te voeren voor de totstandkoming van een dwangakkoord buiten faillissement. Het voorstel beoogt het proces van herstructurering van problematische schulden bij ondernemingen buiten faillissement te flexibiliseren, te bespoedigen en met zo min formaliteiten, kosten en onzekerheden gepaard te doen gaan. Het maakt mogelijk dat de herstructurering van problematische schulden kan plaatsvinden op basis van een akkoord tussen de onderneming en haar schuldeisers en aandeelhouders. Indien dat akkoord door de meerderheid van de schuldeisers en aandeelhouders wordt ondersteund, kunnen schuldeisers en aandeelhouders die zich er op onredelijke gronden tegen verzetten tot medewerking worden gedwongen door een algemeen verbindend verklaring door de rechter.

Kortom, er ligt weer veel moois in het verschiet. Laat het een mooi jaar worden!