De nieuwe wettelijke regeling voor tijdelijke verhuur van woonruimte heeft onduidelijkheid gecreëerd over het opzeggen door de huurder van een huurovereenkomst die is aangegaan voor een minimale periode van bijvoorbeeld één jaar. In de praktijk wordt veel gebruik gemaakt van dergelijke huurovereenkomsten voor een "bepaalde" duur van één jaar, waarbij het niet de intentie van partijen is dat de huurovereenkomst ook daadwerkelijk eindigt aan het einde van deze termijn.

Met andere woorden: partijen beogen geen tijdelijke huurovereenkomst te sluiten, maar de verhuurder de zekerheid te verschaffen dat de huurder minimaal één jaar blijft huren. Door de nieuwe formulering van artikel 7:271 BW vonden sommigen onduidelijk of de verhuurder de huurder nog voor een minimum periode zou kunnen binden.

Uit de verschillende parlementaire stukken voorafgaand aan de totstandkoming van de wetswijziging blijkt dat men als uitgangspunt heeft gehanteerd dat een huurovereenkomst voor "onbepaalde" tijd de standaard was en zou moeten blijven. Aan de huurovereenkomst met een minimum duur, zoals deze veel werd en wordt gebruikt is, op een terloopse opmerking na, geen aandacht besteed.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer bevestigd dat met de introductie van de tijdelijke huurcontracten voor bepaalde tijd niet beoogd is afbreuk te doen aan de gangbare praktijk onder commerciële verhuurders van het hanteren van een minimumcontractsduur. Dit blijft dus wél mogelijk.

Het antwoord van de minister heeft de door de praktijk gewenste duidelijkheid gegeven. De minister acht het niet nodig om de wet op dit punt te verduidelijken. Dit is een gemiste kans, zeker nu de minister op een ander punt artikel 7:271 lid 1 wel wil aanpassen.

De Stichting NuRecht heeft gesteld dat in artikel 7: 271 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet is bepaald dat van de (vierde) volzin ("De voor bepaalde tijd aangegane huur, bedoeld in de tweede volzin, kan door de huurder voor het verstrijken van de bepaalde tijd worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag.") niet kan worden afgeweken. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt echter zonder enige twijfel dat het de bedoeling is geweest van de wetgever dat dit dwingend recht is en dat partijen er niet vanaf kunnen wijken. De minister heeft dit bevestigd en heeft laten weten dat hij zal bevorderen dat een voorstel tot aanpassing van dit artikel bij gelegenheid bij de kamer zal worden ingediend. Middels dat voorstel zal een volzin aan het artikellid worden toegevoegd waarin wordt bepaald dat elk beding dat in strijd is met die vierde volzin nietig is. Het lijkt een kleine moeite - en voor de praktijk wenselijk - om dan ook expliciet te bepalen dat het hanteren van een minimumhuurtermijn wél mogelijk is.

Verhuurders die een "gewone" huurovereenkomst willen sluiten, maar de huurder voor een bepaalde minimale tijd willen binden, doen er verstandig aan om dit nadrukkelijk in de huurovereenkomst op te nemen. Dat kan bijvoorbeeld door te vermelden dat sprake is van een minimum duur en daarbij expliciet te vermelden dat de overeenkomst niet kan worden opgezegd voordat de minimum termijn is verstreken. Ook kan worden benadrukt dat het niet de bedoeling is van partijen om een tijdelijke huurovereenkomst te sluiten en dat huurder bovendien gewoon huurbescherming heeft.

Voor de beantwoording van de Kamervragen klik hier en voor de brief van de minister klik hier.

Over tijdelijke verhuur op grond van de wet doorstroming huurmarkt is eerder een artikel van mij gepubliceerd in Vastgoed Fiscaal & Civiel, 2016 nummer 5.