Feiten en procesverloop

In het kader van een overeenkomst tot verbouwing van een woning van A hebben partijen afgesproken dat B toezicht zou gaan houden op de verbouwing van de woning en daarvoor materialen zou verzorgen. In deze procedure heeft A, voor zover relevant, ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding geëist. Daartoe heeft A de stelling ingenomen dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten waarbij B in opdracht van A de woning zou gaan verbouwen en dat B dit ondeugdelijk heeft gedaan.

B betwist dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst is gesloten. Volgens hem zou slechts sprake zijn van een vriendendienst. Voorts heeft hij weersproken dat het werk ondeugdelijk is verricht. Tot slot heeft hij zich erop beroepen dat hij geen aanmaning of ingebrekestelling heeft ontvangen en derhalve ook niet de mogelijkheid heeft gekregen om eventuele gebreken te herstellen. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de vorderingen afgewezen.

Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen dat geen verzuim is aangevangen op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek van Curaçao (BWC): mededeling debiteur dat hij meende dat de opdracht wel deugdelijk was uitgevoerd, omdat volgens het Hof niet is gebleken dat een ingebrekestelling bij voorbaat als nutteloos moet worden beschouwd. Voorts, dat de door A gemaakte afspraak dat het werk binnen vier maanden af moet zijn, omdat de verbouwing voor het regen- en orkaanseizoen gereed zou moeten zijn, onvoldoende bepaald is voor toepassing van artikel 6:83 aanhef en onder a BWC: fatale termijn.

Het geding in cassatie

In cassatie wordt onder meer geklaagd dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat verzuim ingevolge art. 6:83 aanhef en onder c BWC niet kan intreden omdat niet is gebleken dat een ingebrekestelling bij voorbaat als nutteloos moet worden gezien. Het Hof heeft, zo wordt aangevoerd, het verschil tussen art. 6:83 aanhef en onder c BWC en art. 6:82 lid 2 BWC niet goed onderkend.

Onderdeel 2 van de cassatieklacht keert zich tegen het oordeel van het Hof over verzuim en ingebrekestelling, neergelegd in artikel 6:83 aanhef en onder c BWC. De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling ervan moet worden uitgegaan dat de artikelen 6:81 t/m 83 BWC gelijkluidend zijn aan artikel 6:81 t/m 83 van het Nederlandse BW, en dat de bepalingen van het BWC op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd als de genoemde bepalingen uit het BW. Dit strookt met het concordantiebeginsel dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te interpreteren.

Onderdeel 2.5 van het cassatiemiddel voert aan dat het oordeel van het Hof omtrent toepasselijkheid van artikel 6:83 aanhef en onder c BWC onvoldoende is gemotiveerd. A heeft in de processtukken aangevoerd dat hij B herhaaldelijk heeft laten weten dat het werk gebrekkig was, dat hij B meerdere malen de gelegenheid heeft geboden om zijn fouten te herstellen en dat B hieraan niet is tegemoet gekomen, maar juist heeft laten weten dat het werk deugdelijk was uitgevoerd en afgerond, en dat B hierop niet meer is teruggekomen. A heeft een en ander door middel van getuigenverklaringen onderbouwd. Het Hof heeft deze essentiële stellingen volgens de klacht niet duidelijk in zijn oordeelsvorming betrokken. Dit oordeel is daarom onvoldoende gemotiveerd.

Het Hof heeft volgens de Hoge Raad wel onderzocht of A uit de mededeling van B heeft moeten afleiden dat B in de nakoming van de op hem rustende verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst zou tekortschieten. In dat geval zou een ingebrekestelling achterwege kunnen blijven. Naar het oordeel van de Hoge Raad gaat de klacht van A dan ook uit van een onjuiste lezing van de beslissing van het Hof en kan niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad laat de uitspraak van het Hof evenwel niet in stand. Volgens de Hoge Raad voert A namelijk terecht aan dat het oordeel van het Hof over de toepasselijkheid van artikel 6:83 aanhef en onder c van het BWC onvoldoende is gemotiveerd, omdat het Hof essentiële stellingen van A niet bij zijn oordeelsvorming heeft laten meewegen. De klachten over de beslissing van het Hof aangaande 6:83 aanhef en onder a BWC leiden volgens de Hoge Raad evenmin tot cassatie. Het Hof heeft niet miskend dat art. 6:83 aanhef onder a BWC het niet noodzakelijk acht dat een kalenderdatum is genoemd, maar dat de door A gestelde termijn onvoldoende is bepaald.

Conclusie

De beslissing van de Hoge Raad lijkt een voortbouwing te zijn op de koers ingezet met het arrest Kinheim/Pelders. De norm uit dit arrest richt zich op wat in de omstandigheden redelijkerwijs van de schuldeiser verlangd kan worden. In beginsel is op grond van artikel 6:82 lid 1 BW een ingebrekestelling noodzakelijk. De maatstaf van Kinheim/Pelders geeft een ontsnappingsmogelijkheid indien herstel niet van de schuldeiser kan worden verlangd.

In de onderhavige zaak ging het om de vraag of het verzuim van rechtswege was ingetreden op de voet van artikel 6:83 aanhef en onder c BWC. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof onderzoek gedaan of A uit de mededeling van B had moeten afleiden dat B in de nakoming zou tekortkomen waardoor verzuim van rechtswege zou zijn ingetreden. Bij die overwegingen heeft het Hof, aldus de Hoge Raad, echter ten onrechte cruciale stellingen van A niet bij de oordeelvorming meegenomen. De door A aangevoerde stellingen kunnen dan ook als omstandigheden worden beschouwd waaruit zou moeten blijken of verzuim van rechtswege is ingetreden op de voet van artikel 6:83 aanhef onder c BWC. Door deze omstandigheden mee te wegen wordt in ieder geval een ruimer toetsingskader aangelegd dan de strikte maatstaf die de wettelijke bepaling geeft. In zoverre is het arrest in de lijn met Kinheim/Pelders.

Onzekerheid blijft echter een heikel punt bij de interpretatie van de strikte wettekst van verzuim en ingebrekestelling. Een les voor de praktijk is dat het belangrijk is om bij twijfel het zekere voor het onzekere te nemen en de schuldenaar altijd door middel van een aanmaning in gebreke te stellen.