Dit artikel is voor het eerst gepubliceerd in de nieuwsbrief van General Counsel Netherlands

Het komt regelmatig voor dat in het buitenland de concernleiding van een multinational belangrijke besluiten neemt met betrekking tot de in Nederland gevestigde bedrijfsonderdelen. Hoe is de medezeggenschap binnen dat kader geregeld? Over de internationalisering van het bedrijfsleven en de toerekening van besluiten en medeondernemerschap van de concernleiding.

In afgelopen jaren nam bijvoorbeeld VLM België als enig aandeelhouder en bestuurder van VLM Nederland ingrijpende commerciële beslissingen over VLM Nederland en kondigde het Amerikaanse farmaciebedrijf Merck aan dat bij haar dochter MSD-Organon in Oss een groot aantal mensen zou worden ontslagen.

WOR

Artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat de OR in de gelegenheid moet worden gesteld advies uit te brengen over onder meer elk door de ondernemer voorgenomen besluit tot overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan (sub a), beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of een belangrijk onderdeel daarvan (sub c) en een belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de onderneming (sub d).

Ten aanzien van dergelijke voorgenomen besluiten moet advies gevraagd worden, op een moment dat het advies van de OR nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

Om er voor te zorgen dat besluiten van de buitenlandse concernleiding met belangrijke gevolgen voor de Nederlandse onderneming toch binnen het bereik van de WOR komen te liggen, heeft de OK de leerstukken toerekening en medeondernemerschap ontwikkeld:

Toerekening

Het handelen van de aandeelhouder/concerntop ten aanzien van de Nederlandse onderneming waar de OR is ingesteld wordt toegerekend aan de Nederlandse ondernemer; het leerstuk van de toerekening wordt toegepast in situaties waarbij onduidelijk is of het gaat om een besluit van de Nederlandse ondernemer zelf. Toerekening veronderstelt ook een zekere hiërarchie tussen degene die het besluit neemt en de Nederlandse ondernemer die de onderneming waarbij de OR is ingesteld, in stand houdt. Vooral in concernverhoudingen is toerekening dus van belang.

Als er slechts sprake is van strategische plannen en een aanwijzing op hoofdlijnen dan wordt dat niet snel aangemerkt als een voorgenomen besluit van de Nederlandse ondernemer. Anders wordt het als er door de aandeelhouder/concerntop al is besloten tot een concrete uitwerking.

Medeondernemerschap

Bij medeondernemerschap gaat het om een besluit van een ander dan de ondernemer waarvoor een OR is ingesteld (bijvoorbeeld besluit van de moedervennootschap) maar die wel direct gevolgen heeft voor de onderneming of de rechten van haar OR. Het leerstuk kan worden aangegrepen als de OR vreest dat het resultaat van het adviestraject bij haar eigen ondernemer uiteindelijk weinig invloed heeft op het te nemen besluit, tenzij de moedervennootschap rechtstreeks bij dat traject kan worden betrokken.

Uit rechtspraak volgt dat het bij medeondernemerschap wel moet gaan om een positie die de moedervennootschap/concerntop stelselmatig een zodanige invloed op de besluitvorming binnen de Nederlandse onderneming verschaft, dat gezegd kan worden dat de Nederlandse onderneming mede door de moedervennootschap / concerntop in stand wordt gehouden.