CIVIEL

Wetenschap van benadeling bij het aangaan van een overwaarde-arrangement?

De HR bevestigt dat sprake is van wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte. Deze maatstaf geldt ook indien een rechtshandeling wordt verricht in het kader van een poging om door een reorganisatie het faillissement af te wenden. De HR oordeelt dat het hof ten onrechte uitging van een andere maatstaf door te overwegen dat partijen die een overwaarde-arrangement waren aangegaan redelijkerwijs niet hoefden te begrijpen dat een faillissement onafwendbaar was en dat niet gezegd kan worden dat de reorganisatie gedoemd was te mislukken.

ECLI:NL:HR:2017:635

CIVIEL

De bancaire zorgplicht na uitkering onder een valse cheque

Een advocatenkantoor verzoekt een bank op basis van een kopie van een cheque onmiddellijk geld uit te keren. De bank betaalt direct op de derdenrekening van het kantoor, waarna het geld grotendeels wordt doorgestort naar een offshore bankrekening. Nadat de bank tot de slotsom komt dat de cheque vals is, vordert de bank op basis van de algemene voorwaarden terugbetaling. Het hof is van oordeel dat – mede gezien het feit dat het advocatenkantoor een commerciële praktijk uitoefent en verwacht mag worden dat het bedacht is op oplichting en valsheid van stukken en het wist dat er pas na clearing voldoende zekerheid bestaat over de goede afloop en daar door de bank op was gewezen – geen sprake is van een schending van de bancaire zorgplicht en bevestigt het toewijzend vonnis. De HR oordeelt dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de omstandigheden van het geval en het geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar acht enkele procedurele klachten gegrond.

ECLI:NL:HR:2017:632

CIVIEL

Pensioenverweer door echtgenoot die zelf echtscheiding verzoekt

De HR oordeelt dat het pensioenverweer van art. 1:153 lid 1 BW niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gevoerd door de oorspronkelijke verweerder indien deze oorspronkelijke verweerder ook zelf in eerste aanleg de echtscheiding heeft verzocht. Het pensioenverweer van art. 1:153 lid 1 BW staat immers niet ten dienste van een echtgenoot die zelf echtscheiding verzoekt. Die echtgenoot kan wel met een beroep op art. 1:157 lid 2 BW verzoeken om bij de vaststelling van de alimentatieverplichting van de andere echtgenoot rekening te houden met de behoefte aan een nabestaandenpensioen.

ECLI:NL:HR:2017:636