Het heeft lang geduurd, maar deze week was er dan eindelijk het regeerakkoord. De afgelopen jaren is er vanuit de arbeidsrechtelijke hoek veel kritiek gekomen op de wijzigingen die de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) sinds 2015 voort heeft gebracht. Ook de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) die de positie van zelfstandigen aantastte, heeft veel kritiek moeten verduren. De grote vraag was dan ook: wat gaat het nieuwe kabinet met deze kritiek doen?

In deze signalering wordt stilgestaan bij enkele opvallende voorgenomen wijzigingen.

  • Een cumulatiegrond in het ontslagrecht

In een poging om vast werk minder vast te maken, wordt een cumulatiegrond in het ontslagrecht opgenomen. Door de invoering van de WWZ was een limitatief aantal ontslaggronden opgenomen, waarbij een werkgever in geval van een ontbindingsverzoek voor elke aparte ontslaggrond voldoende feiten en omstandigheden voor een succesvol beroep op die grond. Het was niet langer mogelijk om een zogeheten cocktail van ontslaggronden te hanteren die samen voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst vormden zoals dit vóór de WWZ mogelijk was. In de praktijk bleek dit stelsel knellend te werken. Door de voorgenomen introductie van een cumulatiegrond zal dit in de toekomst weer wel mogelijk zijn, waarbij de rechter de mogelijkheid krijgt om een extra vergoeding toe te kennen ter hoogte van de helft van de transitievergoeding. In situaties waar niet voor elke grond de lat wordt gehaald, maar waar het duidelijk is dat partijen niet met elkaar door kunnen gaan, zal dit zeker een praktische uitweg bieden.

  • Aanpassing proeftijd

Een verrassend voorstel is de aanpassing van de proeftijd bij contracten voor bepaalde tijd van langer dan twee jaar en contracten voor onbepaalde tijd. In het eerste geval wordt een proeftijd van drie maanden voorgesteld en bij een contract van onbepaalde tijd een proeftijd van vijf maanden. Aanpassing van de proeftijd leek niet per se hoog op het prioriteitenlijstje van werkgevers te staan, vandaar dat dit voorstel als een verrassing komt. Werkgevers zullen niettemin blij zijn met deze significante wijziging. De vraag is alleen of een dergelijk lange periode de proeftijd niet heel kwetsbaar maakt voor oneigenlijk gebruik.

  • Wet DBA definitief van tafel

De Wet DBA gaat, waarschijnlijk tot vreugde van velen, definitief de prullenbak in. Er komt een stelsel waarbij aan de hand van het tarief en de duur van de overeenkomst wordt beoordeeld of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Bij een laag tarief in combinatie met ofwel een lange duur van de overeenkomst (langer dan drie maanden) ofwel het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten zal altijd sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, aldus het regeerakkoord. Voor zelfstandigen wiens tarief hoger ligt dan dit zogeheten lage tarief wordt een opdrachtgeversverklaring geïntroduceerd. Het afgeven van deze verklaring heeft als doel om de opdrachtgever vooraf zekerheid te verschaffen over een vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Voor het afgeven van deze verklaring zal een webmodule in het leven worden geroepen die door opdrachtgevers kan worden ingevuld. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van deze verklaring en juist invullen van de vragen over de aard van de werkzaamheden wordt bij de werkgever gelegd. De regering geeft aan dat de webmodule een aantal duidelijke vragen zal bevatten. Daarmee lijkt het een vereenvoudiging van het huidige stelsel dat voor veel verwarring heeft gezorgd. De vraag is echter of op deze duidelijke vragen in de praktijk altijd een duidelijk antwoord mogelijk is of dat dit in de praktijk toch nog voor onduidelijkheid kan zorgen.

De hierboven besproken afspraken uit het regeerakkoord vormen slechts een willekeurige greep uit de voorgestelde maatregelen. Duidelijk is dat er is geluisterd naar de kritiek op verschillende wetsvoorstellen van de afgelopen jaren en dat er wordt geprobeerd om een aantal gevolgen hiervan terug te draaien.