Deze zaak werd door een financiële en industriële holdingmaatschappij ingeleid. De activiteit van deze vennootschap bestaat in hoofdzaak uit het nemen van participaties in diverse ondernemingen en dit in haar hoedanigheid van professionele cliënt.

Na een beleggingsadvies te hebben gekregen door haar huisbank, op dewelke de MIFID-regels inzake de verplichte informatieverstrekking van toepassing zijn, heeft de financiële en industriële holdingmaatschappij begin 2007 een bedrag van 35.000.000 € geïnvesteerd in CDO’s (collateralized debt obligations).

Na deze investering heeft de financiële en industriële holdingmaatschappij van haar huisbankier maandelijkse overzichtstaten ontvangen die tot november 2008 enkel en alleen de nominale waarde van de effecten aan de koers op de datum van de uitgifte van de CDO’s vermeldde. Pas in de overzichtstaat van 31 december 2008 werd voor het eerst melding gemaakt van de reële waarde van de CDO’s, waarde die herleid werd tot ca. 6% van de oorspronkelijke nominale waarde.

De financiële en industriële holdingmaatschappij verwijt haar huisbankier onder meer dat deze laatste naliet haar tijdig te informeren omtrent de daling van de marktwaarde van de CDO’s en over het stilvallen van de verhandeling op de secondaire markt sinds midden 2007.

De rechtbank van koophandel meent dat er van een beheerder, in casu de huisbankier van de financiële en industriële holdingmaatschappij, verwacht mag worden (i) dat deze op regelmatige tijdstippen verslag uitbrengt over het door haar gevoerde beheer en (ii) dat dit verslag niet enkel een inventaris van de beheerde financiële instrumenten dient in te houden maar dat er tevens melding moet gemaakt worden van de waarde van het desbetreffende instrument op de dag van het verslag evenals een vergelijking met de waarde van dit instrument aan het begin van het beheer. In tegenstelling tot het voorgaande kwam de rechtbank van koophandel tot de vaststelling dat de huisbankier van de financiële en industriële holdingmaatschappij enkel en alleen melding had gemaakt van de nominale waarde van de CDO’s ten tijde van de aankoop hiervan, zonder de waardebepaling op de dag van het verslag te vermelden.

De rechtbank van koophandel van Brussel heeft bijgevolg beslist dat het voor de financiële en industriële holdingmaatschappij op deze manier onmogelijk was het rendement en het risico voor de periode tussen twee verslagen te beoordelen en dat de verslaggeving, en dus het beheer van de bankier, bijgevolg manifest ondermaats was.

Als de financiële en industriële holdingmaatschappij op een behoorlijke wijze zou zijn voorgelicht, dan had zij tijdig kunnen beslissen om de CDO’s alsnog te verkopen.

De rechtbank van koophandel van Brussel heeft aldus beslist dat, zelfs in het geval waarin een financiële en industriële holdingmaatschappij in haar hoedanigheid van professionele cliënt aldus een welingelichte investeerder en belegger is, zij alsnog moet kunnen genieten van een correcte, duidelijke en niet-misleidende informatieverstrekking zoals bepaald in artikel 27 §2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.

Omdat de financiële en industriële holdingmaatschappij, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens nalatig is geweest aangezien zij geen enkele opmerking kenbaar gemaakt heeft aan haar huisbankier noch een initiatief heeft genomen met betrekking tot de verkoop van de desbetreffende instrumenten, dit terwijl zij als welingelichte investeerder en belegger op de hoogte was van de laatste evoluties op de CDO-markt, heeft de rechtbank de bank enkel veroordeeld tot de helft van de schade opgelopen door de financiële en industriële holdingmaatschappij.

Deze beslissing is dus een interessante toepassing van enerzijds de verplichting tot informatieverstrekking door bankieren aan professionele cliënten en anderzijds de zorgvuldigheidsplicht die er op professionele cliënten ten aanzien van hun investeringen rust.

Tegen deze beslissing werd hoger beroep ingesteld en dit artikel wordt dus ongetwijfeld vervolgd.