In het kader van een geding tussen EDF Luminus NV tegen het Vlaams Energiebedrijf NV, werd de ruime bevoegdheid van de stakingsrechter opnieuw duidelijk gemaakt. Het geschil betrof onder meer een beweerdelijke inbreuk op de wet inzake overheidsopdrachten[1].

Het argument dat men via de stakingsvordering de talrijke beroepsmogelijkheden die men had verloren laten gaan onder de geëigende overheidsopdrachtenwetgeving, wenste te omzeilen werd niet aanvaard. De stakingsrechter oordeelde dat het feit dat de wet van 17 juni 2013[2] voorziet in rechtsmiddelen en procedurevoorschriften die specifiek betrekking hebben op de gunning van overheidsopdrachten, niet betekende dat elke betwisting die verband houdt met een overheidsopdracht enkel via deze procedures kan verlopen. Gezien EDF Luminus de staking van een beweerdelijk oneerlijke marktpraktijk verzocht, was de stakingsrechter dan ook bevoegd.

Ook het argument gegrond op misbruik van procesrecht, gelet op het feit dat men jaren had gewacht om de beweerdelijke inbreuk aan te vechten, kreeg geen gehoor. Hiervoor werden de termijnen voorzien in bovenvermelde wet van 17 juni 2013 opnieuw irrelevant geacht.

Ten gronde werd de vordering voor wat betreft de inbreuk op de wet overheidsopdrachten evenwel afgewezen.