In Frankrijk werd het nieuws deze zomer deels beheerst door de juridische strijd over het matineuze gekraai van haan Maurice. Die zomer begon zowat in mei van dit jaar toen het echtpaar Biron een zaak aanhangig maakte bij de rechtbank in Rochefort vanwege overlast van hun buurhaan.

Volgens het echtpaar zou de haan al om halfvijf in de ochtend beginnen met kraaien en daarmee doorgaan tot ver in de middag. Daardoor zou de vakantierust in hun zomerhuis op Île d’Oléron onaanvaardbaar worden verstoord. Een mooie zaak voor een programma als de rijdende rechter zou je denken, maar waarom zoveel aandacht, ook buiten Frankrijk?

Dat heeft alles te maken met het feit dat het echtpaar Biron uit de stad afkomstig was en alleen hun vakanties in het zomerhuis doorbracht. Daarmee werd de zaak rond haan Maurice hét symbool van de kloof – volgens sommigen zelfs strijd – tussen stad en platteland. Een kloof die met de acties van de inmiddels overbekende ‘gele hesjes’ al nadrukkelijk aan de oppervlakte was gekomen. Het echtpaar Biron werd in de rol gedrukt van arrogante stedelingen die met hun geld en macht proberen het platteland hun wil op te leggen. Haan Maurice en zijn eigenaresse werden gezien als de typische vertolkers van de gebruiken en waarden van het platteland, waarvan dierengeluiden nu eenmaal onlosmakelijk onderdeel vormen.

Des te interessanter was daarmee hoe de rechtbank zou oordelen. Deze stelde de Birons in het ongelijk. Onderzoek wees namelijk uit dat het gekraai doorgaans pas om halfzeven begon. Verder was het geluidsniveau met gesloten luiken aanvaardbaar, waarbij het feit dat het een landelijke omgeving betreft een rol speelde. Op het platteland moet meer geluid van dieren worden geduld dan in een stedelijke omgeving. Het echtpaar werd veroordeeld 1000 euro te betalen aan de eigenaresse van de haan wegens de door de zaak veroorzaakte reputatieschade (vgl. het verslag in De Volkskrant van 6 september 2019 en diverse websites van Franse media). Het Franse recht laat daarmee de nodige ruimte voor de bijzondere omstandigheden op het platteland. Nieuwkomers of tijdelijke bewoners zoals toeristen hebben daarmee rekening te houden en kunnen niet hun ‘stedelijke normen’ opleggen als ze op het platteland bivakkeren.

Deze zaak illustreert hoe een doorsnee juridisch geschil de spil kan worden van maatschappelijke polarisatie en richtingenstrijd. Hoe zou een zaak als die van haan Maurice voor de Nederlandse rechter aflopen? Waarschijnlijk op vergelijkbare wijze omdat de Nederlandse rechter alle omstandigheden van het geval bij zijn oordeel betrekt waaronder het agrarische karakter van het gebied en de vraag of degene die klaagt een nieuwkomer is (vgl. ECLI:NL:RBLEE:2006:AV4562, met verwijzingen naar relevante Hoge Raad arresten). Als het een landelijk gebied betreft waar agrarische bedrijvigheid een belangrijke rol speelt, moet een zekere geluidsoverlast als gevolg daarvan worden geaccepteerd (vgl. ECLI:NL:RVS:2009:BI4970). Het Europese recht laat voor deze benadering overigens alle ruimte (ECLI:CE:ECHR:2004:1116JUD000414302).

Het oordeel van de Franse rechter lijkt geaccepteerd te worden door de publieke opinie. Dat zal ook gelden voor de Nederlandse jurisprudentie zoals hiervoor besproken. Daarmee bestaat er op dit punt in ieder geval geen kloof tussen stad en platteland in het recht. Zo bezien kan het recht zelfs heel goed als verbinding tussen de stad en het platteland functioneren.

Toch moet het recht(sbedrijf) zich niet rijk rekenen. Het is namelijk maar de vraag of het recht altijd immuun is voor kritiek in de publieke opinie die zijn grondslag mede vindt in ‘kloofdenken’. Vermoedelijk kunnen juridisch correcte en afgewogen beslissingen in sommige gevallen meer dan ooit op weerstand rekenen. In een dergelijk geval zal de publieke opinie het rechtsbedrijf een spiegel voorhouden. Opereren rechters niet te veel vanuit een ivoren toren? Kunnen zij zich wel verplaatsen in ‘de gewone man’? Is de samenstelling van de rechterlijke macht niet te eenzijdig? Is de taal van rechterlijke uitspraken wel voldoende begrijpelijk? Dat zijn vragen die in talrijke rapporten zijn gesignaleerd en die hebben geresulteerd in even zo talrijke verbeterprogramma’s (vgl. publicaties op de site van de Raad voor de Rechtspraak). Sommige met meer en sommige met minder effect. De antwoorden op deze vragen zijn belangrijk voor het gezag van het rechtsbedrijf in de samenleving. Daarmee zijn de genoemde verbeterprogramma’s van vitaal belang voor de acceptatie van de oordelen van de rechterlijke macht.

Het is dus zaak op dit punt waakzaam te zijn en constant naar verbetering te blijven streven. De rechter als verbindende factor is namelijk juist nu nodig omdat de kloof stad-platteland, naast andere kloven, ook in Nederland wordt gevoeld (SCP, Dorpsleven tussen stad en land, 2017). Zo staan, bijvoorbeeld, de komende periode ter uitvoering van de PAS-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1603) in dit licht gevoelige onderwerpen op de agenda zoals het terugdringen van de veestapel en het verlagen van de maximumsnelheid op provinciale wegen naar 70 kilometer per uur. Het ligt in de lijn der verwachting dat dit soort maatregelen aan de rechter worden voorgelegd. Goede communicatie over diens (on)mogelijkheden en uitleg over de uitkomsten van de beoordeling zijn dan onontbeerlijk.

Verdwijnt het kloofdenken daarmee? Waarschijnlijk niet. Dat is namelijk meer van – vaak door daarbij garen spinnende (politieke) partijen gevoed – gevoel dan van objectieve factoren afhankelijk. Dat liet ook het Brexit-referendum zien, waarbij de stad contra en het platteland pro Brexit was. Dat ontslaat ons echter niet van de verplichting dit gevoel serieus te nemen zoals de gevolgen van dat zelfde referendum laten zien.

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2019/1925, afl. 31