Naar aanleiding van het recente arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het slapend dienstverband, heeft minister Koolmees van sociale zaken en werkgelegenheid afgelopen vrijdag de ontstane onduidelijkheid weggenomen. In de praktijk leefde er in elk geval drie belangrijke vragen. De eerste vraag had betrekking op de hoogte van de te betalen vergoeding, de tweede vraag was hoe het recente arrest zich verhoudt tot de compensatieregeling en de derde vraag zag op de termijn waarbinnen het UWV beslist bij de zogenoemde ‘oude gevallen’.

De compensatie

De maximale compensatie is gelijk aan de transitievergoeding die is opgebouwd vanaf het begin van het dienstverband van de werknemer tot aan de dag nadat deze werknemer 104 weken arbeidsongeschikt was. Indien het dienstverband vervolgens langere tijd slapend is gehouden, is werkgever over dit deel wel transitievergoeding verschuldigd, maar hij zal deze niet gecompenseerd kunnen krijgen. Indien werkgever en werknemer door middel van een vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan, is enkel de transitievergoeding tot een dag na de 104 weken termijn verschuldigd.

In eerste instantie was er een tweede maximum ingevoerd bij de compensatieregeling, wat zou inhouden dat de compensatie daarnaast maximaal het tijdens twee jaar ziekte betaalde loon zou kunnen bedragen. Hiermee zou worden voorkomen dat een werkgever meer gecompenseerd zou krijgen, dan het daadwerkelijk betaalde loon aan de werknemer. Dit tweede maximum zal echter niet in werking treden per 1 april 2020, omdat over de toepassing hiervan nog te veel onduidelijkheid bestaat.

De beslistermijn

De beslistermijn voor de zogenoemde ‘oude gevallen’ is zes maanden. Dit komt doordat ook vergoedingen die in het verleden zijn betaald, te weten vanaf 1 juli 2015, voor compensatie in aanmerking komen. Dit geldt zowel voor situaties waarin de arbeidsovereenkomst is beëindigd en een vergoeding is betaald voor 1 april 2020, als voor de situaties waarin het opzegverbod voor 1 april 2020 is verstreken en de formele beëindiging pas daarna plaatsvindt.

Overgangsrecht

Op de compensatieregeling is overgangsrecht van toepassing. Om in aanmerking te komen voor compensatie ter hoogte van de ‘oude’ 2019 berekening, dient de werkgever de procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst vóór 1 januari 2020 te starten. In het geval van een beëindiging met wederzijds goedvinden betekent dit dat werkgever met werknemer vóór 1 januari 2020 tot overeenstemming dient te zijn gekomen. De daadwerkelijke beëindigingsdatum kan wel na 1 januari 2020 liggen.

Op grond van het bovenstaande is het zaak voor werkgevers heel snel actie te ondernemen indien er nog lopende slapende dienstverbanden zijn, waarbij de dag na 104 weken ziekte vóór 1 januari 2020 ligt. In dat geval is de ‘oude’ 2019 berekening van de transitievergoeding van toepassing. Voor compensatie ten hoogte van deze ‘oude’ 2019 berekening dient werkgever de procedure tot beëindiging van het dienstverband vóór 1 januari 2020 te starten, of vóór 1 januari 2020 tot overeenstemming met de werknemer te zijn gekomen.