De Kantonrechter Amsterdam heeft in dit geval geoordeeld dat het recht op thuiswerken een arbeidsvoorwaarde is geworden, ondanks het ontbreken van deze afspraak in de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft vanaf begin van de arbeidsrelatie, sinds 2010, steeds op vrijdagen thuis gewerkt. De arbeidsovereenkomst bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding. Daarom moet worden getoetst aan de hand van het Stoof/Mammoet arrest of van de werknemer kan worden verlangd dat hij op vrijdag weer op kantoor werkt. De gewijzigde omstandigheden op het werk, die ertoe hebben geleid dat de werkgever hierom verzocht, zijn gelegen in de kritiek op het functioneren van de werknemer. Gelet op de negatieve beoordelingen van werknemer in de voorgaande jaren en aangezien de verbetering nog maar net in gang was gezet, was het niet onredelijk om van hem te verwachten dat hij op dit voorstel inging. Van werknemer kon bovendien worden gevergd dat hij het voorstel van de werkgever zou aanvaarden. Het was voor werknemer niet heel ingrijpend om op vrijdagen op kantoor te blijven werken. De werknemer woont niet ver van zijn werk. Daar komt bij dat de situatie in beginsel nog maar tot eind van het jaar zou duren. Het door werknemer aangevoerde belang bij behoud van de wekelijkse thuiswerkdag weegt niet op tegen het belang van de werkgever.  

In de praktijk zal het uiteindelijk  afhangen van de omstandigheden of thuiswerken een arbeidsvoorwaarde zal zijn en of een arbeidsvoorwaarde kan worden gewijzigd.   Klik hier voor de uitspraak.