Arrest C‑323/17 van het Europees Hof van Justitie is relevant voor elke initiatiefnemer die zich afvraagt of een passende beoordeling nodig is. Met name antwoordt het Hof, in een Ierse zaak over windparkkabels en mosselen, negatief op de vraag of de voortoets, die aan de passende beoordeling voorafgaat, reeds mitigerende of beschermingsmaatregelen (meer bepaald: maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen van het voorgenomen project) mag bevatten.

Deze post zet een stap achteruit en bespreekt het ruimere kader van het instrument van de passende beoordeling.

Even recapituleren: de passende beoordeling

Al sinds 1988 worden in Vlaanderen "Speciale BeschermingsZones" (vaak ook verkort tot "SBZ") aangeduid. De aanduiding van een SBZ beoogt om de belangrijkste habitats en soorten binnen Europa te beschermen. Een SBZ kan zowel een Habitatrichtlijngebied, Vogelrichtlijngebied of beiden omvatten.

Alle SBZ samen vormen het Natura 2000-netwerk. In het Vlaamse Gewest ziet het Natura 2000-netwerk er als volgt uit:

(Bron: www.geopunt.be. Blauw: Volgelrichtlijngebied. Groen: Habitatrichtlijngebied)

Europees is als doelstelling voorzien om negatieve effecten op dergelijke SBZ's te vermijden. Daarom voorziet de Habitatrichtlijn in het instrument van de zgn. "passende beoordeling". In een passende beoordeling gaat men na wat de mogelijke gevolgen zijn van een plan of project op het betrokken SBZ. Daarbij is ook met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat SBZ rekening te houden.

Het principe is volgens de Europese Habitatrichtlijn relatief simpel: de opmaak van een passende beoordeling is vereist indien cumulatief:

  1. een initiatiefnemer in een SBZ een plan/project wil verwezenlijken dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor, het beheer van dat SBZ; en
  2. het voorgenomen plan/project afzonderlijk (of in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen voor dat SBZ kan hebben.

In principe kan het project pas eerst doorgang vinden als de passende beoordeling uitwijst dat de natuurlijke kenmerken van het SBZ niet zullen worden aangetast en, in voorkomend geval, na voldoende inspraak daaromtrent.

Slechts zeer uitzonderlijk kan een project alsnog doorgang vinden indien er toch een negatief gevolg voor het SBZ dreigt. Daarvoor gelden drie strikte voorwaarden:

  1. er bestaan geen alternatieve oplossingen; en
  2. het plan/project is ingegeven door dwingende redenen van groot openbaar belang; en
  3. er zijn compenserende maatregelen genomen die de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaren.

Impact of niet? Start met voortoets

Om na te gaan of een passende beoordeling vereist is, kan een initiatiefnemer van een project vooraf een zgn. "voortoets" uitvoeren:

De voortoets onderzoekt of aan de reeds vermelde dubbele cumulatieve voorwaarden is voldaan. Via een handige voortoets-tool kan u de mogelijke implicaties van een project op een SBZ nagaan.

Vraag rijst nu of deze voortoets al rekening mag houden met maatregelen die de eventuele significante gevolgen voor een SBZ zouden verminderen of zelfs (volledig) vermijden. Die werkwijze zou immers kunnen toelaten om vrij eenvoudig tot het besluit te komen dat zich geen passende beoordeling opdringt.

Het Hof van Justitie heeft op 12 april 2018 in arrest C-323/17 geoordeeld dat dit niet kan.

Wat kan ( en vooral: wat kan niet ! ) in voortoets? Het Hof trekt grenzen

Samengevat wenste een Iers overheidsbedrijf (Coillte) voor de aansluiting van een windturbinepark op het elektriciteitsnet een kabel doorheen de rivieren Nore en Barrow aan te leggen. Beide rivieren zijn als speciale beschermingszones aangewezen.

In de rivieren bevindt zich eveneens de Margaritifera durrovensis, ofwel de ‘Nore-beekparelmossel’ (weetje: een mossel die maar liefst 70 tot 100 jaar oud kan worden en ook onder de Bern Conventie beschermd is). Gekend is dat de mosselpopulatie de afgelopen decennia niet enkel niet meer aangroeit, maar ook nog eens sterk blijkt uitgedund.

Naar aanloop van het project had het Ierse overheidsbedrijf een vooronderzoek laten uitvoeren om de eventuele noodzaak tot het opstellen van een passende beoordeling te onderzoeken. Uit dit vooronderzoek bleek dat jonge beekparelmossels mogelijks zouden omkomen wegens zuurstofgebrek (ingevolge de sedimentatie van het steen- en zandgruis veroorzaakt door de kabelwerken).

In het vooronderzoek werden meteen beschermingsmaatregelen (meer precies: "maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen") betrokken om deze impact op de mosselpopulatie te verhinderen. Het ging in feite om mitigerende maatregelen omdat zij tegemoet kwamen aan de impact van het project op de mosselen.

Finaal besloot het vooronderzoek, onder meer op basis van deze beschermingsmaatregelen, dat de opmaak van een passende beoordeling niet vereist was. Er volgde geen passende beoordeling meer.

De verwijzende rechter stelde volgende vraag aan het Hof van Justitie:

"Mogen mitigerende maatregelen in aanmerking worden genomen bij de voorevaluatie ter vaststelling of een passende beoordeling op grond van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet worden verricht, en zo ja in welke omstandigheden mogen dergelijke maatregelen dan in aanmerking worden genomen?"

Het Hof van Justitie meent dat de opname van maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen net impliceert dat er wellicht wél negatieve significante effecten zullen plaatsvinden. De maatregelen dienen immers om deze effecten te vermijden.

Het Hof vervolgt dat de volledige evaluatie van dergelijke maatregelen pas in de fase van de passende beoordeling kan gebeuren. Zo niet, dreigt een uitholling van de verplichting van de passende beoordeling.

Het Hof besluit bijgevolg – in het verlengde hiervan – dat:

[o]p de gestelde vraag [dient] te worden geantwoord dat artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of in een later stadium een passende beoordeling moet worden verricht van de gevolgen van een plan of project voor een betrokken gebied, in de fase van de voorevaluatie de maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen van dat plan of project voor dat gebied niet in aanmerking dienen te worden genomen."

Met andere woorden: het Hof meent dat "maatregelen ter voorkoming of beperking van de nadelige gevolgen" van het voorgenomen project, niet nuttig zijn voor het antwoord op de vraag of een passende beoordeling nodig is.

Gevolg: opname van mitigerende maatregelen in voortoets is maat voor niets

Het oordeel van het Hof komt niet uit het niets. Het Hof maakt er geen geheim van dat zij de passende beoordelingsplicht in het licht van de doelstelling van de Europese natuurrichtlijnen leest.

Eerder oordeelde het Hof ook al dat het concept van natuurkerngebieden (robuuste natuur) op planniveau niet kon dienen om aan de plicht tot compenserende maatregelen te ontkomen (zaak C-387/15 en C-388/15, Orleans t. Vlaamse Gewest).

Indien uw project dus significante gevolgen op een SBZ kan veroorzaken, zal het niet volstaan om preventief beschermings- of mitigerende maatregelen in de voortoets op te nemen met als doel om aan de opmaak van een passende beoordeling te ontkomen.