Bij wetsontwerp van 9 januari 2014 heeft het ministerie van economische zaken boek X toegevoegd aan het Wetboek van Economisch recht zoals ingevoerd bij de wet van 28 februari 2013. Het wetsontwerp is zonder amendering aangenomen in de juridische commissie van de Kamer. Het ontwerp wetboek economisch recht uit 2008 stelde een grote harmonisering voor van de wetgeving inzake beëindiging van distributiecontracten. De wet Handelsagentuurovereenkomst met haar cliënteelvergoeding en dwingende opzegtermijnen diende als richtlijn. Wellicht wegens tijdsgebrek of gebrek aan consensus, komt hiervan niets in huis. Het nieuwe boek X herneemt enkel de wet Handelsagentuur en de alleenverkoopwet in hun huidige bewoording. 

Op het vlak van de precontractuele informatie bij commerciële samenwerkingsovereenkomst zijn wel een aantal wijzigingen aangebracht op voorstel van de Arbitragecommissie die belast is met de evaluatie van de wet precontractuele informatie. Drie wijzigingen springen in het oog: een verregaande verruiming van het toepassingsgebied; het invoeren van een vereenvoudigd precontractueel informatiedocument bij verlengingen en ten slotte een verduidelijking van de nietigheidssanctie bij schending van de informatieverplichtingen.

  1. Eerst en vooral wordt het toepassingsgebied van de wet uitgebreid. Dit gebeurt door de definitie van Commerciële Samenwerkingsovereenkomst in boek I, artikel 11. 
  • Waar het vroeger enkel ging om overeenkomsten “gesloten tussen twee personen die elk in eigen naam en voor eigen rekening werken, waarbij de ene persoon het recht verleent aan de andere, die daarvoor een vergoeding van welke aard dan ook, rechtstreeks of onrechtstreeks betaalt, om bij de verkoop van producten of de verstrekking van diensten een commerciële formule te gebruiken”, wordt nu duidelijk gemaakt dat het ook kan gaan om overeenkomsten tussen meerdere personen.
  • De voorwaarde van het “in eigen naam en voor eigen rekening werken” valt weg. De bedoeling van de wetgever is om zo veel mogelijk commerciële samenwerkingsovereenkomsten te omkaderen. Door het schrappen van deze voorwaarde wordt de wet ontegensprekelijk van toepassing op alle vormen van economische tussenpersonen die in naam en of voor rekening van een principaal optreden. De wet zal dus van de datum van inwerkingtreding ook gelden bij agentuurovereenkomsten, makelaarsovereenkomsten en commissieovereenkomsten.
    Volgens de memorie van toelichting zouden werknemers, zoals handelsvertegenwoordigers niet onder het toepassingsgebied vallen, al blijkt dat niet uit de definitie van commerciële samenwerkingsovereenkomsten van artikel I.11.
    Bankagenten en verzekeringsagenten worden echter expliciet vrijgesteld van de verplichting tot de afgifte van een precontractueel informatiedocument, omdat de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, de distributie van financiële instrumenten en de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling hen reeds voldoende zou beschermen. Nochtans voorzien die wetten niet in precontractuele informatie, zodat er wellicht geen objectieve legitimatie bestaat voor dit verschil in behandeling. 
  • Er moet nog steeds een commerciële formule ter beschikking worden gesteld, maar dit hoeft niet langer “tegen vergoeding” te gebeuren. 
  1. In twee gevallen is degene die het recht op het gebruik van de commerciële formule verleent, verplicht een “vereenvoudigd precontractueel informatiedocument” over te maken (artikel X.29 somt de gegevens op die in dit vereenvoudigd document moeten worden opgenomen). Dit is het geval indien tijdens de bedenktermijn van één maand tussen de afgifte van het precontractueel informatiedocument en de ondertekening van de overeenkomst, waarbinnen de rechtsverkrijger geen verplichtingen kan aangaan, de overeenkomst gewijzigd wordt. Indien dit gebeurt op vraag van de partij die het recht op de commerciële formule toekent, begint ook een nieuwe termijn van één maand te lopen. Dit is dus niet het geval indien dit gebeurt op schriftelijke vraag van de verkrijger van het recht op de commerciële formule). Ook bij verlenging, vernieuwing of wijziging op vraag van de verlener van het recht op de commerciële formule van de overeenkomst moet dergelijk vereenvoudigd precontractueel informatiedocument worden afgegeven, één maand voor de datum van verlenging of het ingaan van de wijzigingen. 
  2. Op het vlak van de nietigheidssanctie wil de wetswijziging meer duidelijkheid brengen.

Het lijkt erop dat de nietigheid van de volledige overeenkomst op basis van de wet enkel kan worden ingeroepen voor het ontbreken van het informatiedocument of het niet respecteren van een termijn van 1 maand tussen de afgifte van het precontractueel informatiedocument en het sluiten van de overeenkomst. 

Voor het ontbreken van informatie over bepaalde belangrijke contractuele clausules kan de nietigheid van betrokken clausule worden ingeroepen. 

Voor het ontbreken van bepaalde gegevens voor de correcte beoordeling van de commerciële samenwerkingsovereenkomst (oud artikel 4 §1 2°, nieuw artikel X.29 §1 2°), of indien foutieve informatie werd gegeven, voorzag de oorspronkelijke tekst van de wet geen sanctie. De nieuwe tekst bepaalt uitdrukkelijk dat de nietigheid ook in deze gevallen kan worden ingeroepen op voorwaarde dat er sprake is van een wilsgebrek. Deze bepaling voegt dan ook niets toe, aangezien dit enkel het algemene verbintenissenrecht inzake wilsgebreken herneemt. Men moet dus aantonen dat er sprake is van bedrog of dwaling (en dus dat indien correcte informatie gegeven werd niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn gecontracteerd).

Er kan afstand worden gedaan van de relatieve nietigheid gedurende één maand nadat de overeenkomst werd ondertekend. Om te vermijden dat het ondertekenen van zo’n afstand van het recht om de nietigheid van de overeenkomst in te roepen één maand na ondertekening van de overeenkomst, de norm zou worden, dient de reden waarom afstand wordt gedaan van de nietigheid, vermeld te worden. 

De wijzigingen hebben de bedoeling een aantal zaken te verduidelijken, maar slagen daar slechts gedeeltelijk in. Op andere vlakken, zoals de uitbreiding van het toepassingsgebied naar agentuurovereenkomsten, is elke onduidelijkheid weggenomen, maar blijft de vraag of dit wel zinvol is. Heeft een agent, die weinig commercieel risico loopt in de onderneming, wel nood aan dergelijke verregaande bescherming? Vooral de uitzondering op dat vlak voor bank- en verzekeringsagent steekt hier de ogen uit.