Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 februari 2013, LJN: BZ1261

In haar uitspraak van 13 februari 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de "Afdeling") uitleg gegeven over de positie van een curator bij naleving van de voor een inrichting geldende milieuwetgeving.

Het volgende speelde zich af. Een bedrijf had een milieuvergunning voor een  inrichting te Rotterdam. In 2009 kreeg het een bestuursrechtelijke last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van enkele voorschriften van de milieuvergunning. In 2010 werd het bedrijf failliet verklaard en werden twee curatoren aangesteld. Vervolgens werden twee bestuursrechtelijke lasten onder dwangsom opgelegd aan de curatoren. Nadien werd besloten tot invordering van alle voorgenoemde dwangsommen.

De curatoren stelden dat zij niet verantwoordelijk konden worden gehouden voor naleving van de milieuvergunning en de lasten onder dwangsom. Zij waren geen overtreders. Het bedrijf was de overtreder, stelden zij. Voorts betoogden de curatoren dat zij niet in hun macht hadden om aan de lasten te voldoen omdat zij de inrichting niet dreven en geen financiële middelen hadden.

Door de Afdeling wordt voorop gesteld dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de verantwoordelijkheid van de curatoren voor naleving van de milieuwetgeving, en anderzijds de gevolgen voor de curatoren van een aan de gefailleerde (rechts)persoon opgelegde bestuursrechtelijke last onder dwangsom. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken (LJN: ZF2839, AB 1998/268 en LJN: BA4703, AB 2008, 132) stelt de Afdeling dat, wanneer een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer onderdeel is van de boedel, de curator uit hoofde van zijn bijzondere gezagsverhouding verantwoordelijkheid draagt voor naleving van de voor die inrichting geldende milieuwetgeving. Dat brengt mee dat een curator vanaf het moment van faillietverklaring onder dwangsom kan worden gelast om in ieder geval de op dat moment bestaande overtredingen van de milieuwetgeving te beëindigen of herhaling ervan te voorkomen. Het door de curatoren gestelde gebrek aan financiële middelen doet hier niet aan af. Met de verbeurte van aan de curator opgelegde dwangsommen ontstaat volgens de Afdeling een vordering op de curator, die als boedelschuld dient te worden beschouwd.

Indien voor de datum van faillissement door het bedrijf dwangsommen zijn verbeurd, leidt dit tot vorderingen op het bedrijf die ter verificatie in het faillissement kunnen worden ingediend. Na de faillietverklaring op grond van eerder opgelegde lasten verbeurde dwangsommen zijn niet-verifieerbare vorderingen. De verantwoordelijkheid van een curator ontstaat immers pas na faillissement. De curator is niet verantwoordelijk voor het uitvoeren van een last die aan de gefailleerde is opgelegd, hij kan niet als rechtsopvolger onder algemene titel worden beschouwd.

Met deze uitspraak kan geconcludeerd worden dat een curator uit hoofde van zijn bijzondere gezagsverhouding onder bepaalde voorwaarden verantwoordelijk kan worden gehouden voor naleving van voor een inrichting geldende milieuwetgeving, vanaf de datum van faillietverklaring. De Afdeling heeft met deze uitspraak de positie van de curator op dit punt verduidelijkt.