De liefde houdt niet op aan de grens. Dit wordt nog maar eens bevestigd, als men de verrassende cijfers van grensoverschrijdende relaties, partnerschappen en huwelijken bekijkt. Zo had in 2016 meer dan één vierde van elk in Duitsland voltrokken huwelijk een buitenlands tintje of een binationaal karakter. [1]

De cijfers aan de Nederlandse kant laten een vergelijkbaar aantal zien. Los van de internationaal privaatrechtelijke vraagstukken brengt het aangaan van een huwelijk een breed scala van verschillende rechtsvragen met zich mee. Hoe zal het huwelijk voltrokken worden, hoe wordt met gezamenlijk vermogen omgegaan en moeten er huwelijkse voorwaarden worden opgesteld?

Wanneer een huwelijk niet verloopt zoals gewenst, kunnen er tal van rechtsproblemen optreden, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling van het vermogen. Complexer wordt de beantwoording van die vragen indien er sprake is van een internationaal huwelijk. Vragen over de bevoegdheid van de rechter en het toepasselijk recht spelen dan ook een rol.

De Europese wetgever erkent deze problematiek en heeft door middel van twee verordeningen een rechtsinstrument geschapen om het de echtgenoten c.q. de partners juridisch gezien makkelijker te maken: 1) De Huwelijksvermogensrechtverordening (hierna: HuwVo[2]) en 2) De Partnerschapsvermogensrechtverordening (hierna: GPVo)[3]. Samen zullen deze verordeningen in deze blog worden aangeduid als ‘EU-vermogensrechtverordeningen’.

De EU-vermogensrechtverordeningen regelen de toepasselijke nationale goederenrechtelijke afwikkeling van de vermogens voor grensoverschrijdende huwelijken en partnerschappen die na 29 januari 2019 zijn gesloten.

De verordeningen zijn van toepassing op ‚huwelijksvermogensstelsels‘ en de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen. De verordeningen bepalen zelf wat daaronder moet worde verstaan en het recht van de lidstaten is daarvoor niet maatgevend. Bepaalde onderwerpen worden expliciet uitgesloten van het materiele toepassingsgebied van de verordening; de HuwVo ziet bijvoorbeeld niet op fiscale aangelegenheden en ook de vraag naar het bestaan, de geldigheid of de erkenning van een huwelijk valt buiten de verordening. Dit soort vragen vallen onder nationale IPR-bepalingen. Deze zijn voor Nederland te vinden in het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978[4] en de artikelen 10:27 tot en met 10:34 Burgerlijk Wetboek (BW).

Onderhoudsverplichtingen worden ook uitgesloten van het toepassingsgebied van de HuwVo. De IPR-vragen die daarmee samenhangen, moeten worden beantwoord aan de hand van de Alimentatieverordening[5] en het Haags Protocol Onderhoudsverplichtingen[6].

Ook de verevening van pensioenaanspraken valt buiten het toepassingsgebied, maar deze uitsluiting moet niet te ruim worden uitgelegd, aldus de preambule van de HuwVo. Weliswaar valt de verevening van pensioenaanspraken zelf buiten het toepassingsgebied, maar bijvoorbeeld de kwalificatie van bepaalde pensioenelementen, de verdeling van reeds betaalde pensioenuitkeringen en de verrekening van uit gezamenlijk vermogen opgebouwde pensioenaanspraken worden wel door de verordening beheerst.

Daarnaast bepalen de EU-vermogensrechtverordeningen welk nationaal gerecht bevoegd is en welk nationaal procesrecht van toepassing is, zodra er sprake is van rechtsvragen omtrent het huwelijksvermogen of partnerschapsvermogen. De EU-vermogensrechtverordeningen zijn instrumenten van het Europese internationale privaatrecht en procesrecht. De verordeningen behelzen niet zozeer rechtsnormen, maar ze bevatten regels om het toepasselijke recht vast te stellen, mits er sprake is van grensoverschrijdende gevolgen. Bijvoorbeeld een huwelijk tussen een Nederlandse man en zijn Duitse echtgenoten.

Met name de mogelijkheid om een rechtskeuze te maken zoals genoemd in artikel 22 van de verordening geeft aan de echtgenoten of partners een grote mate van flexibiliteit en partijautonomie. Op grond hiervan bestaat de mogelijkheid om, door middel van een uitdrukkelijke keuze een rechtssysteem aan te wijzen, die de vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijkse goederenrecht zal regelen. Indien er geen rechtskeuze is gemaakt bepaalt artikel 26 welk recht van toepassing is.

Het is aanstaande echtgenoten en geregistreerde partners, waarbij sprake is van internationale aspecten alleen maar aan te raden van de mogelijkheden van de nieuwe EU-vermogensrechtsverordeningen gebruik te maken en met name door middel van een rechtskeuze zich rechtszekerheid te verschaffen. Tenslotte kan in het geval van een scheiding een grote verschuiving van vermogen worden vermeden.