Op 5 juli 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over het (maximum)tarief dat bij een warmte koude opslag (WKO) aan verbruikers (in de zin van de Warmtewet) in rekening mag worden gebracht. De rechtbank komt kortweg tot het oordeel dat warmte en koude samen kwalificeren als ‘warmte’ in de zin van Warmtewet en dat de prijs voor de warmte en koude samen de maximumprijs in de zin van de Warmtewet niet mag overschrijden.

Verloop en inzet procedure

Deze zaak is begonnen met een handhavingsverzoek van de bewoners van de wijk Hoogland in Naaldwijk (Bewoners) bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De Bewoners hadden bij ACM een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen Vestia wegens schendingen van de Warmtewet. Het vastrecht dat Vestia in rekening brengt voor de levering van warmte en koude zou hoger zijn dan de maximumprijs in de Warmtewet. ACM heeft dit verzoek afgewezen en heeft vervolgens de bezwaren van de Bewoners ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van de levering van warmte in de zin van de Warmtewet. Volgens ACM is alleen sprake van levering van warmte als de gemiddelde temperatuur van het water op het overdrachtspunt (dat hier is gelegen voor de waterpompen in de woningen van de Bewoners) geschikt is voor huishoudelijke doeleinden. De gemiddelde temperatuur van 11,95 graden Celsius, zoals in het geval van het bronwater in de wijk Hoogland, is daartoe onvoldoende en om die reden is er geen sprake van warmte in de zin van de Warmtewet, aldus ACM.

De Bewoners hebben vervolgens beroep ingesteld bij het CBb. Bij uitspraak van 22 februari 2016 heeft het CBb het beroep gegrond verklaard en ACM opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het CBb heeft overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis bij de Warmtewet blijkt dat ook vormen van warmte met een lage temperatuur kwalificeren als warmte in de zin van de Warmtewet.

De ACM heeft vervolgens onderzoek gedaan naar mogelijke overtredingen van de Warmtewet in de wijk Hoogland. Vestia is verzocht een splitsing aan te brengen in het vastrechttarief (dat zowel warmte- als koudelevering omvat) dat zij hanteert, zodat de component van het vastrechttarief dat ziet op warmte kan worden getoetst aan de maximumprijs van artikel 5 Warmtewet. Vestia heeft het gevraagde inzicht gegeven. Vervolgens heeft ACM het adviesbureau Greenvis verzocht de methodiek van Vestia te beoordelen.

In het rapport van 21 juli 2016 heeft Greenvis onder meer geoordeeld dat het aannemelijk is dat de door Vestia in rekening gebrachte tarieven voldoen aan de maximum tarieven van de Warmtewet. ACM heeft de bevindingen overgenomen en concludeert dat de maximum tarieven van de Warmtewet niet worden overschreden door Vestia. De Bewoners hadden echter tevens aangevoerd dat Vestia de verplichting schendt om jaarlijks een volledige en voldoende gespecificeerde nota aan de individuele bewoners te verstrekken (artikel 2 lid 2 Warmtewet). ACM heeft Vestia daarom een last onder dwangsom opgelegd, waarin Vestia wordt verplicht om met ingang van het jaar 2017 een nota aan de Bewoners te verstrekken, waaruit het aantal afgenomen gigajoules blijkt. Verder dient Vestia alsnog nota's over de jaren 2014 tot en met 2016 te verstrekken. Voor het overige heeft ACM de bezwaren van de Bewoners ongegrond verklaard. De Bewoners hebben vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit bij de Rechtbank Rotterdam en dat heeft geleid tot de uitspraak van 5 juli 2018.

De rechtbank gaat in de uitspraak allereerst in op haar bevoegdheid. De rechtbank oordeelt dat zij op grond van artikel 7, bijlage 2 Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om te oordelen over zowel de beroepsgronden die zijn gericht tegen de last onder dwangsom, als over de inhoud van de Warmtewet.

De rechtbank overweegt allereerst (naar mijn mening terecht) dat de kosten van de warmtepomp geen rol spelen bij de berekening van de maximumprijs op grond van de Warmtewet. Uit de definitie van het begrip warmtenet (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c Warmtewet en de toelichting daarop) volgt dat de warmtepomp geen deel uitmaakt van het warmtenet. De omstandigheid dat het water op het overdrachtspunt (dus voor de warmtepomp) nog niet geschikt is voor huishoudelijk gebruik, betekent niet dat het overdrachtspunt pas na de warmtepomp ligt, aldus de rechtbank.

Wat betreft de vraag of het vastrecht (bestaande uit een koude- en een warmtedeel) de maximumprijs overschrijdt, oordeelt de rechtbank dat uit de uitspraak van het CBb volgt dat het water van 12 graden kwalificeert als warmte in de zin van de Warmtewet. Dat een deel van het geleverde water voor verkoeling wordt gebruikt, is daarbij niet van onderscheidend belang, omdat de verbruiker zelf na het overdrachtspunt bepaalt hoe de geleverde warmte wordt aangewend (voor warmte of voor koude). Om die reden moet het bronwater worden aangemerkt als ‘warmte’ en kan bij de vraag of het vastrecht voldoet aan de maximumprijs (anders dan Vestia en ACM hebben aangegeven) geen splitsing worden aangebracht in warmte en koude. Het door Vestia gehanteerde vastrechttarief (dat zowel warmte als koude inhoudt) moet als geheel aan de maximum prijs van artikel 5 van de Warmtewet worden getoetst, aldus de rechtbank. De rechtbank oordeelt vervolgens dat ACM nader moet onderzoeken of het vastrechttarief dat in rekening wordt gebracht hoger is dan de maximumprijs. Deze beroepsgrond wordt toegewezen.

De Bewoners hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat Vestia meetgegevens van het warmteverbruik en het stroomverbruik van de warmtepomp dient te verstrekken en dat de kostenverdeelsystematiek die Vestia hanteert ondeugdelijk is. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de Bewoners niet om een individuele meter hebben gevraagd en dat Vestia heeft aangegeven dat het plaatsen van een gigajoule-meter voor de warmtepomp technisch onmogelijk (omdat hiervoor geen geschikte meters bestaan) en financieel onhaalbaar is. Voorts stelt de rechtbank vast dat Vestia heeft aangevoerd dat de optie van individuele warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. Om die reden hanteert Vestia een voor alle verbruikers inzichtelijke kostenverdeelsystematiek (ex artikel 8a, tweede lid Warmtewet). Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Bewoners onvoldoende onderbouwd dat deze kostenverdeelsystematiek ondeugdelijk is. Daarbij speelt dat de Bewoners geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de systematiek door een onafhankelijke deskundige te laten toetsen op grond van artikel 8a, zesde lid Warmtewet. Deze beroepsgrond faalt.

De rechtbank acht het beroep gegrond. Nu ACM moet onderzoeken of sprake is van overschrijding van de maximumprijs ziet de rechtbank echter geen mogelijkheid om het voorliggende geschil definitief te beslechten, zodat ACM opnieuw een besluit zal moeten nemen.

Conclusie

Deze uitspraak is niet goed te plaatsen in het licht van de herziening van de Warmtewet (die overigens is aangenomen door de Eerste Kamer, maar nog niet in werking is getreden) en de wijziging van het Warmtebesluit (dat op 11 juli 2018 in het kader van een voorhangprocedure is aangeboden bij de Tweede Kamer).

In de nota van toelichting bij het Warmtebesluit staat met zoveel woorden dat bij een WKO onderscheid moet worden gemaakt tussen warmtelevering (waarvoor de maximumprijs geldt) enerzijds en koudelevering (waarvan de kosten worden vastgesteld op basis van artikel 4a, derde lid Warmtebesluit) anderzijds.

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij het CBb. Als dat gebeurt ligt het in de lijn der verwachting dat het CBb het (bijzonder vreemde) oordeel van de rechtbank zal herstellen.

Overigens zouden überhaupt vraagtekens kunnen worden gezet bij de bevoegdheid van de rechtbank om te oordelen over de vragen met betrekking tot de Warmtewet. Dat de rechtbank bevoegd was te oordelen over het beroep op het punt van de last onder dwangsom, maakt de rechtbank immers niet per definitie bevoegd ook te oordelen over de andere vragen. Nu partijen voor hoger beroep alsnog zouden uitkomen bij het CBb, heeft het verder niet zoveel zin hierbij stil te staan. Naar verwachting zal het eindoordeel in deze zaak in ieder geval luiden dat er bij WKO systemen wel degelijk een apart tarief voor koude en apart tarief voor warmte in rekening mag worden gebracht en dat beide separaat aan de maximumprijs van de Warmtewet moeten voldoen.