Terugblik op 2017

De discussie over regulering van de franchisemarkt in zowel Nederland als Europa is zeer actueel. Al op 12 april 2017 is een wetsvoorstel over de wettelijke verankering van de gedragscode franchise gepubliceerd (het “Wetsvoorstel”). Het wetsvoorstel bevat een bijzondere regeling voor de franchiseovereenkomst en heeft als doel de positie van de franchisenemer te versterken. Het Wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd, hetgeen tot 359 reacties heeft geleid. Enige tijd later, op 12 september 2017, nam ook het Europese Parlement een resolutie aan naar aanleiding van een rapport over het functioneren van franchise in de detailhandel. Het rapport, een initiatief van Dennis de Jong, een Nederlands EU-parlementslid, heeft eveneens tot doel franchisenemers te beschermen. Het Europees Parlement heeft de Europese Commissie verzocht een openbare raadpleging te organiseren om informatie te vergaren over de franchisingsector. Uiteindelijk dienen er, aldus het Europees Parlement, richtsnoeren te worden opgesteld, waarin zogenoemde ‘best practices’ worden verwerkt.

Aansprakelijkheid op grond van een overeenkomst

De hiervoor bedoelde initiatieven nemen de bescherming van de franchisenemer als uitgangspunt. In de uitspraak van 15 november 2017 gaat de rechtbank Gelderland juist uit van de eigen verantwoordelijkheid van de franchisenemer, waarbij wordt voortgeborduurd op een eerder oordeel van de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad handelt een franchisegever, die een rapport over de te verwachten omzet en de te verwachten winst aan een franchisenemer verschaft, onder omstandigheden onrechtmatig, indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat, maar hij de franchisenemer niet op deze fouten opmerkzaam maakt. Echter, als de franchisegever het opstellen van een dergelijk rapport aan een derde heeft uitbesteed, mag ook de franchisegever op de juistheid daarvan vertrouwen. Van onrechtmatig handelen zal dan pas sprake kunnen zijn indien de franchisegever weet dat het rapport ernstige fouten bevat.

In de uitspraak van 15 november 2017 gaat het eveneens om een door een derde opgestelde prognose. Dit keer beriep de franchisenemer zich niet op een onrechtmatige daad van de franchisegever, maar werd de aansprakelijkheid van de franchisegever gebaseerd op wanprestatie door de franchisegever. De franchisenemer stelt namelijk dat de franchisegever zich bij overeenkomst heeft verplicht tot het verstrekken van deugdelijke en juiste prognoses. Nu de prognoses achteraf niet deugdelijk en juist lijken te zijn, is de franchisegever tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens de franchisenemer.

Van belang in deze zaak is de omstandigheid dat franchisegever en franchisenemer een zogenoemde voorovereenkomst hebben gesloten. In deze voorovereenkomst uiten zij wel al de intentie tot het sluiten van franchiseovereenkomsten, maar gaan daar nog niet toe over. Alvorens dergelijke franchiseovereenkomsten te sluiten, zal eerst worden onderzocht of het openen van nieuwe winkels economisch haalbaar is. Daartoe zal door een derde een locatieonderzoek worden verricht. Na afronding van dit onderzoek, naar tevredenheid van beide partijen, zal franchisenemer een businessplan en exploitatiebegroting opstellen. Deze stukken dienen weer als basis voor de aanvraag van de financiering voor de te openen winkels.

De rechtbank bevestigt dat partijen middels de voorovereenkomst bepaalde afspraken hebben gemaakt ten aanzien van het locatieonderzoek. Echter, die voorovereenkomst heeft volgens de rechtbank niet de strekking om de verantwoordelijkheid van het onderzoek en de exploitatie af te wentelen op franchisegever. Partijen zijn in de voorovereenkomst niet overeengekomen dat de franchisegever zou instaan voor bepaalde omzetresultaten en/of de deugdelijkheid van de door de derde afgegeven omzetprognose. Volgens de rechtbank heeft de franchisenemer een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de waardering van de prognoses en de daaruit te trekken conclusies.

De rechtbank concludeert dat, ook al zou worden vastgesteld dat het door de derde uitgevoerde onderzoek gebreken bevat, franchisegever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de voorovereenkomst. De vorderingen van franchisenemer worden dan ook afgewezen. Hieruit volgt dat de franchisegever – ongeacht de grondslag van de vordering (onrechtmatige daad of wanprestatie) – niet snel aansprakelijk zal zijn voor een door een derde opgesteld rapport over de te verwachten omzet.

Vooruitblik op 2018

Na de sluiting van de consultatie op 25 mei 2017 hebben zich geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Waarschijnlijk zal de regering het onderwerp in 2018 wel weer oppakken. Opvallend in dit kader is dat in het regeerakkoord weinig woorden aan het onderwerp worden vuilgemaakt. In het regeerakkoord staat slechts een regel: “Er komt aanvullende wetgeving op het gebied van franchise om de positie van franchisenemers in de pre-competitieve fase te versterken.”