In een arrest van 9 oktober 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de Belgische taks op omzetting van effecten aan toonder in strijd is met de Europese Kapitaalrichtlijn van 12 februari 2008, die indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal verbiedt.

Het Hof van Justitie sprak zich over de kwestie uit, nadat het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag had gesteld in het kader van een vernietigingsberoep tegen de taks. Gelet op dit Europeesrechtelijk standpunt zal het Grondwettelijk Hof op zijn beurt niet anders kunnen dan de desbetreffende aangevochten belastingbepalingen inderdaad nietig te verklaren.

Het arrest van het Hof van Justitie opent de mogelijkheid tot terugvordering van de taks die werd geheven op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten (op een effectenrekening bij een financiële instelling) of in effecten op naam (rechtstreeks bij de vennootschap die de vennootschap had uitgegeven).

De verplichting om Belgische aandelen of obligaties aan toonder om te zetten in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam werd ingevoerd door een wet van 14 december 2005. De omzetting moest gebeurd zijn uiterlijk op 31 december 2013.

De belasting op deze omzetting, die nu door het Hof van Justitie in strijd is bevonden met het Europees recht, werd ingevoerd door de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen. Het tarief bedroeg 1% voor de omzettingen gerealiseerd in de loop van het jaar 2012 en 2 % voor de omzettingen gerealiseerd in de loop van het jaar 2013.

De taks kent twee categorieën van belastingplichtigen: (i) de financiële instellingen (‘tussenpersonen van beroep’) voor effecten aan toonder die zijn ingeschreven op een effectenrekening ten gevolge van een neerlegging door de houder en (ii) de uitgevende vennootschappen voor de effecten die rechtstreeks aan hen zijn overgemaakt met het oog op een omzetting in effecten op naam.

Het zijn deze belastingplichtigen die de onterecht geheven belasting kunnen terugvorderen. Omdat het arrest van het Hof van Justitie er relatief snel na de invoering van de belasting is gekomen, zullen vele belastingplichtigen zich nog kunnen bedienen van de gemeenrechtelijke termijn voor een vordering tot terugbetaling voorzien in artikel 202/8 van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen. Deze termijn loopt tot twee jaar vanaf de dag waarop de rechtsvordering is ontstaan. Deze termijn staat dus nog open voor alle taksen die werden betaald in 2013 en voor een deel van de taksen die werden betaald in 2012.

Wie van deze termijn geen gebruik kan maken, kan ook nog zijn kans tot terugvordering krijgen maar zal daarvoor moeten wachten op het (te verwachten) vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof. Vanaf de publicatie van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad begint immers een nieuwe termijn van 6 maanden te lopen waarbinnen een terugvordering kan worden gevraagd. Hoewel dit onwaarschijnlijk is, zou het Grondwettelijk Hof de mogelijkheid tot terugvordering op basis van het vernietigingsarrest in de tijd kunnen beperken. Voor de belastingplichtigen die nog onder de voormelde gemeenrechtelijke tweejarige termijn vallen, is het dus aangewezen om zo spoedig mogelijk over te gaan tot een terugvordering van de taks en niet het vernietigingsarrest af te wachten.

Het lijkt erop dat de houders van omgezette effecten aan wie de taks op de omzetting is doorgerekend, niet zelf rechtstreeks de terugvordering kunnen aanvragen. Het is evenwel niet uitgesloten dat de Belgische belastingadministratie met een bijzondere procedurele regeling zal uitpakken die het voor de houders ook mogelijk maakt om de doorgerekende belasting rechtstreeks terug te vorderen. Aan de houders kan worden aangeraden om de financiële instelling of de vennootschap middels dewelke de omzetting werd doorgevoerd aan te sporen om de procedure tot terugvordering zo spoedig mogelijk op gang te trekken en eenmaal de terugvordering is bekomen deze te retrocederen.