Onlangs is de ontwerpstructuurvisie Windenergie op Zee bekendgemaakt, waarin het kabinet nieuwe gebieden op de Noordzee aanwijst voor de plaatsing van windparken. In aanvulling op de al aangewezen gebieden ‘Borssele’ en ‘IJmuiden Ver’ zijn dit de gebieden ‘Hollandse Kust’ en ‘Ten Noorden van de Waddeneilanden’. Een ieder kan tot en met 20 februari a.s. een zienswijze op het ontwerp indienen.

De ontwerpstructuurvisie Windenergie op Zee (“SWOZ”) wijst de twee gebieden aan waarbinnen naar het oordeel van het Rijk de realisatie van offshore windparken mogelijk is. Het gebied ‘Hollands Kust’ betreft feitelijk een vijftal in elkaars nabijheid gelegen gebieden, waarbinnen ook de thans verleende vergunningen voor offshore windparken, zoals het te bouwen windpark Luchterduinen, en het al gerealiseerde windpark Amelia vallen. Het gebied ‘Ten Noorden van de Waddeneilanden’ is een strook van de Noordzee waarbinnen ook het voorziene windpark Gemini valt. Na vaststelling van de SWOZ verleent het Rijk enkel aan initiatieven gelegen binnen de aangewezen gebieden medewerking.

De twee nieuwe gebieden bieden in totaal ruimte voor circa 8.500 megawatt (“MW”) windenergie, hetgeen significant meer is dan de in het Energieakkoord voor duurzame groei afgesproken 4.450 MW. Dit is niet alleen gedaan om in de toekomst verder door te kunnen groeien, maar ook om te anticiperen op het afvallen van delen van gebieden. Pas bij medewerking aan concrete initiatieven wordt namelijk duidelijk hoeveel MW daadwerkelijk binnen de gebieden gerealiseerd kan worden. Blijkens de SWOZ zijn er meerdere aandachtspunten bij de realisatie van initiatieven, zoals de afstanden tot aanwezige olie- en gaswinning en kabels en leidingen en de effecten op aanwezige Natura 2000-gebieden. Verder moeten om rekening te houden met de scheepvaart afstanden tot scheepvaartroutes worden aangehouden, die op basis van het in 2013 vastgestelde ‘Afwegingskader voor veilige afstanden tussen scheepvaartroutes en windparken op zee’ worden bepaald. Deze factoren beperken uiteindelijk het daadwerkelijk voor offshore windparken te gebruiken gebied, waardoor niet de volledige 8.500 MW zal worden gerealiseerd.

Een belangrijk aandachtspunt betreft de wijze van vergunningverlening voor nieuwe initiatieven. Zoals in de SWOZ staat te lezen werkt het Rijk aan een nieuw uitgiftestelsel waarin bestaand wettelijk instrumentarium mogelijk geheel of gedeeltelijk wordt vervangen. Er wordt gedacht aan de uitgifte van vergunningen op hoofdlijnen in een tenderronde. Naar het schijnt kunnen dit vergunningen zijn die niet (veel meer) behelzen dan enkel een recht om te bouwen. Het verdient aanbeveling om bij de herziening van het uitgiftestelsel rekening te houden met de problematiek van de selectie van het windturbinetype. Tussen het moment van een vergunningaanvraag en de definitieve bestelling van windturbines ligt namelijk een lange periode, vanwege de juridische procedures die gevoerd moeten worden om definitieve vergunningen te verkrijgen. Na afronding van deze procedures zijn veelal nieuwe, betere windturbinetypes beschikbaar geworden. Het heeft de voorkeur om bij de keuze voor een type niet weer een (wijziging van een) vergunning aan te moeten vragen. Vooralsnog is echter geen publieke informatie over het nieuwe tendersysteem beschikbaar.

De SWOZ is formeel een herziening van het Nationaal Waterplan en moet in samenhang daarmee en met de beleidsnota Noordzee worden gelezen. Tegelijk met de SWOZ zijn ook de milieueffectrapportages, de passende beoordelingen en rapportages betreffende de risico voor de scheepvaart voor beide nieuwe windgebieden gepubliceerd. Voor een ieder is het mogelijk om een zienswijze in te dienen op de SWOZ en de daarbij horende stukken. Deze mogelijkheid bestaat tot en met 20 februari 2014. Zie voor meer informatie hier de website van het centrum publieksparticipatie.