Nadat de behandeling in de Tweede Kamer pas eind mei was afgerond, is de Wet Versterking Bestuur Pensioenfondsen al per 7 augustus jl. (versneld) van kracht geworden. Deze geeft nieuwe regels voor de organisatiestructuur van pensioenfondsen. Ook de regels omtrent bestuurders en andere (mede)beleidsbepalers worden aangepast. Verder zijn de bevoegdheden van ondernemingsraden uitgebreid met nieuwe instemmingsrechten. Al met al brengt deze wet een aantal belangrijke veranderingen met zich mee. Enkele kenmerkende aspecten ervan worden in dit artikel besproken.

Vijf bestuursmodellen

In de nieuwe regeling staat centraal, dat (per saldo) maar liefst vijf verschillende bestuursmodellen mogelijk zijn. Daarbij moet allereerst onderscheid worden gemaakt tussen de drie beschikbare hoofdvarianten: (1) een paritair bestuur, (2) een onafhankelijk bestuur, of (3) een gemengd bestuur. Een paritair bestuur (variant 1) bestaat uitsluitend uit vertegenwoordigers van de belanghebbenden. Zowel de werkgevers, werknemers als de pensioengerechtigden (“de risicodragers”) dienen daarin vertegenwoordigd te zijn. Een onafhankelijk bestuur (variant 2) bestaat daarentegen juist uitsluitend uit onafhankelijke, externe professionals (“de externen”). In beide varianten dient daarnaast dient ook nog voorzien te worden in enigerlei vorm van toezicht. De meeste bedrijfstakpensioenfondsen dienen daartoe verplicht een raad van toezicht in te stellen. Bij ondernemings- of beroepspensioenfondsen mag als alternatief voor een visitatiecommissie gekozen worden, die jaarlijks visitaties moet gaan uitvoeren. Bij een gemengd bestuur (variant 3), ook wel aangeduid als een “one tier board”, is geen apart toezicht vereist. Dan hebben namelijk zowel de uitvoerende, als de niet-uitvoerende (lees: toezichthoudende), bestuurders zitting in het bestuur. De voorzitter dient altijd een niet-uitvoerend bestuurder te zijn. Bij een gemengd bestuur/one tier board dient gekozen worden tussen drie sub-varianten: (3.a) het paritair gemengd bestuur, (3.b) het omgekeerd gemengd bestuur, dan wel (3.c) het onafhankelijk gemengd bestuur. Bij een paritair gemengd bestuur (variant 3.a) komen de uitvoerende bestuurders uit de kring van de risicodragers, terwijl de niet-uitvoerende (toezichthoudende) bestuursleden externen zijn. Bij een omgekeerd gemengd paritair bestuur (variant 3.b) is dat eenvoudigweg omgekeerd: juist de uitvoerende bestuurders zijn externen en de niet-uitvoerenden vertegenwoordigen de risicodragers. Alleen de (niet-uitvoerende) voorzitter moet dan ook een externe professional te zijn. Bij de derde variant, het onafhankelijk gemengd bestuur (3.c), zijn alle bestuursleden externen. Aan een paritair of een paritair gemengd bestuur (variant 1 of 3.a) kunnen ten slotte ook nog maximaal  twee externen als uitvoerende bestuurders worden toegevoegd.

Een verantwoordings- of belanghebbendenorgaan

Indien sprake is van een paritair, een paritair gemengd, of een omgekeerd gemengd bestuur (variant 1, 3a of 3.b), moet een apart orgaan worden ingesteld waarin deelnemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd worden. Oorspronkelijk zou dit de deelnemers- en pensioengerechtigdenraad worden, maar uiteindelijk is gekozen voor de (oude) benaming verantwoordingsorgaan. Eventueel kunnen werkgevers daar ook deel van uitmaken. Dit orgaan beschikt over een aantal advies- en beroepsrechten omtrent essentiële besluiten. Een ander nieuw orgaan is het belanghebbendenorgaan. Daarin dienen steeds álle risicodragers vertegenwoordigd te zijn. Een dergelijk  belanghebbendenorgaan krijgt (verstrekkender) goedkeuringsrechten ten aanzien van een aantal besluiten. Het dient te worden ingesteld bij pensioenfondsen met  uitsluitend externe bestuurders: met een onafhankelijk bestuur of met een onafhankelijk gemengd bestuur (variant 2 of 3.c).

Geschiktheid en betrouwbaarheid

De regels voor functionarissen zijn zowel inhoudelijk, als qua werkingssfeer aangepast. De leden van de raad van toezicht en van het belanghebbendenorgaan gaan ook door DNB getoetst worden op geschiktheid en betrouwbaarheid. Indien DNB daartoe aanleiding ziet, zal zij ook nog de leden van een eventuele visitatiecommissie toetsen. Voor geschiktheid geldt voortaan een open norm. Getoetst gaat worden op kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. DNB heeft aangegeven daarnaast ook nog naar de context te gaan kijken. Naar zaken als de concrete functie, het collectief en de omvang en het risicoprofiel van het fonds. DNB benadrukt verder het belang van onafhankelijkheid (in brede zin). Men onderscheidt drie aspecten van onafhankelijkheid: onafhankelijkheid ‘in state’ (formele onafhankelijkheid), ‘in mind’ (men is “mans genoeg”) en ‘in appearance’ (geen schijn van belangenverstrengeling). Onafhankelijkheid in formele zin is op grond van de nieuwe wet vereist in relatie tot alle externe bestuurders. Externen die (uitvoerend of niet-uitvoerend) bestuurder zijn mogen geen directe vertegenwoordigers zijn van de belanghebbenden bij het pensioenfonds. De onafhankelijkheid in meer brede zin waar DNB verder op doelt, dient ook door het pensioenfonds gewaarborgd te worden. DNB erkent daarbij wel, dat “dubbele petten” in pensioenland niet altijd voorkomen kunnen worden. In nadere regelgeving zijn de regels omtrent uitbesteding overigens wel weer nader aangescherpt. Zo worden personele unies met (mede)beleidsbepalers in dergelijke constellaties nu expliciet verboden. Daarnaast dient een pensioenfonds bijvoorbeeld ook toezicht te gaan houden op het beloningsbeleid van derden waaraan taken worden uitbesteed. Vermeldenswaard is ook nog de nieuwe regelgeving omtrent het tijdsbeslag van bestuurders en toezichthouders. Deze wijkt af van de algemene regeling voor tijdsbeslag bij rechtspersonen in Boek 2. Het tijdsbeslag wordt getoetst aan de hand de zogenaamde ‘voltijd equivalent score’ (‘VTE score’). Die omvat het totale tijdsbeslag van alle beoogde bestuurs- en toezichtfuncties van een kandidaat. Die VTE score mag niet hoger dan 1 zijn.  Maar ook als de VTE score 1 of lager is, toetst DNB ook nog aanvullend de daadwerkelijk beschikbare tijd. Deze regeling gaat gelden voor alle benoemingen vanaf 1 juli 2014. Maar DNB gaat ook voordien al deze toets hanteren. Enig verschil is dat een pensioenfonds nu nog kan proberen een te hoge VTE score te rechtvaardigen. Vanaf 1 juli 2014 is dergelijk “tegenbewijs” niet meer mogelijk.

Bevoegdheden ondernemingsraad uitgebreid

Op de valreep zijn in het wetsvoorstel ook nog nieuwe regels opgenomen voor ondernemingsraden. Aan artikel 27 van de wet op de ondernemingsraden is een nieuw lid 7 toegevoegd. Daarin worden de bevoegdheden van de ondernemingsraden aanmerkelijk uitgebreid. Instemming dient nu ook te worden verkregen voor pensioenovereenkomsten met een collectief karakter, indien die door een pensioenfonds worden verzorgd. Althans, voor zover het gaat om het instellen of de intrekking van een dergelijke regeling. Deze nieuwe instemmingsrechten hebben evenwel niet betrekking op de verplichtgestelde regelingen via bedrijfstakpensioenfondsen. Staatssecretaris Klijnsma heeft overigens aangegeven mogelijk nog met aanpassingen voor deze bepaling te komen.

Invoering

De nieuwe opzet moet voor ieder fonds per 1 juli 2014 van kracht worden. DNB verwacht evenwel dat de keuze voor het meest geschikte model al ultimo 2013 door een fonds gemaakt zal zijn. Alle vereiste concept-documentatie dient vervolgens vóór 1 april 2014 bij DNB ingediend te worden. DNB gaat voorts per fonds de voortgang controleren via een aantal surveys in de periode tot 1 juli 2014. Ieder fonds moet een implementatieplan opstellen. Voor veel pensioenfondsen zou de keuze voor het meest geschikte model overigens niet veel hoofdbrekens behoren op te leveren. Met name aspecten als aansprakelijkheid, kosten en beschikbaarheid van bestuurders dienen daarbij een rol te spelen. Op bestuurlijk vlak krijgen pensioenfondsen overigens nog meer nieuwe (quasi-)regelgeving te verwerken. Zo wordt per 1 januari 2014 ook de nieuwe Code Pensioenfondsen van kracht. Beide zaken kunnen niet helemaal van los van elkaar bezien en toegepast worden.