Werknemers hebben in beginsel geen recht op loon gedurende de periode dat zij geen werk verrichten. Een bekende uitzondering op deze hoofdregel is de loondoorbetaling tijdens ziekte: in principe behoudt de werknemer het recht op loon gedurende de eerste 104 weken van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. De wet kent echter de mogelijkheid het loon stop te zetten indien de werknemer (onder andere) niet meewerkt aan re-integratie. Over de interpretatie van deze bepaling heeft de Hoge Raad op 6 juni 2014 een belangrijke prejudiciële vraag beantwoord.

Wanneer een arbeidsongeschikte werknemer in het kader van de re-integratie weigert passende werkzaamheden te verrichten, kan de werkgever de loondoorbetaling stopzetten “voor de tijd, gedurende welke” de werknemer die passende arbeid niet verricht. In de rechtspraak en literatuur bestond al lange tijd discussie over de interpretatie van deze bepaling, en dan met name ten aanzien werknemers die een beperkt aantal uren re-integreren: kan een werkgever nu alleen het loon stopzetten voor het aantal uren dat de werknemer passend werk heeft geweigerd (bijvoorbeeld indien de werknemer 10 uur per week passend werk zou moeten verrichten en dat niet doet), of kan de werkgever het gehele loon stopzetten (dus niet alleen de 10 uur waarin de werknemer passend werk zou moeten verrichten, maar ook de overige 30 uur waarvoor de werknemer nog arbeidsongeschikt wordt geacht)? De kantonrechter te Utrecht heeft deze vraag voorgelegd aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt (mede aan de hand van de redactie van het desbetreffende artikel en de wetsgeschiedenis) dat de loonaanspraak van een arbeidsongeschikte werknemer geheel komt te vervallen als hij/zij passend werk weigert – dus ook de loonaanspraak voor het deel van de werktijd waarvoor de werknemer (nog) arbeidsongeschikt is. De Hoge Raad acht mede van belang dat de strekking van de loonsanctie is de werknemer te stimuleren zijn herstel en re-integratie te bevorderen.

Een werknemer die aldus passende re-integratiewerkzaamheden weigert, kan geconfronteerd worden met een algehele loonstop. De loonstopzetting houdt in dat de loonaanspraak daadwerkelijk vervalt: de werknemer kan niet (anders dan bij loonopschorting) door op een later moment passende werkzaamheden te aanvaarden, alsnog aanspraak maken op het vervallen loon. Vanaf het moment dat de werknemer passend werk accepteert, dient hij/zij uiteraard wel weer zijn/haar loon te ontvangen. Mocht de werknemer van mening zijn dat het aangeboden werk niet passend is, dan kan hij/zij een deskundigenoordeel van UWV aanvragen.