Pretium vordert op grond van art. 843a Rv overlegging van opnames die Tros met een verborgen camera heeft gemaakt. Het hof wijst die vordering af omdat de gevorderde afgifte een inbreuk op art. 10 EVRM (persvrijheid) vormt en Pretium geen bewijsnood heeft die zo'n inbreuk kan rechtvaardigen. Zij kan immers ook getuigen horen. Volgens de HR gaat het bij een 843a-vordering erom dat een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd. Zo'n vordering is niet slechts toewijsbaar als andere mogelijkheden om bewijs te vergaren zijn uitgeput, maar bijvoorbeeld ook als andere vormen van bewijsgaring bezwaarlijker zijn of minder effectief. Gelet op het algemene belang van persvrijheid en de omstandigheid dat Pretium de minder verstrekkende mogelijkheid van getuigenverhoor ten dienste stond, kon het hof de 843a-vordering afwijzen op grond van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit van art. 10 EVRM. De HR laat de uitspraak van het hof daarom in stand.

ECLI:NL:HR:2017:2518