CIVIEL

Executierechter bevoegd om te beoordelen of dwangsommen zijn verbeurd

 
A is op straffe van een dwangsom veroordeeld om roerende zaken aan B af te geven. Vervolgens heeft C, een schuldeiser van B, executoriaal derdenbeslag gelegd op deze roerende zaken. A was hierdoor verplicht deze zaken onder zich te houden. B stelt dat niet aan de veroordeling is voldaan en dat dwangsommen zijn verbeurd. Als B wil executeren en A daartegen protesteert begint de deurwaarder een executiegeschil (art. 438 Rv). De Hoge Raad oordeelt dat de executierechter bevoegd is te beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld. Een dergelijk oordeel valt buiten de reikwijdte van de exclusieve bevoegdheid van de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (art. 611d Rv). De Hoge Raad oordeelt dat in een geval als dit sprake is van schuldeisersverzuim. Gedurende dit verzuim mogen geen executiemaatregelen worden getroffen en kunnen geen dwangsommen worden verbeurd (art. 6:58 en 6:62 BW).
 

Direct naar de uitspraak

CIVIEL

De aansprakelijkheid van een advocaat die een commanditaire vennootschap adviseert

 
De HR oordeelt dat het belang van de CV bestaat uit het gezamenlijke belang van de vennoten, zowel de beherende als commanditaire. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat die een CV adviseert dient zich te richten naar het gezamenlijke belang van de vennoten. Indien voor de advocaat kenbaar wordt dat tegenstrijdige belangen ontstaan, dient hij bij zijn advisering met deze tegenstrijdigheid rekening te houden op een wijze die met de aard van de CV in overeenstemming is. Dit betekent dat hij op de tegenstrijdigheid van belangen wijst en adviseert hoe daarmee om te gaan. Onder omstandigheden kan een advocaat gehouden zijn de werkzaamheden te beëindigen.
 

Direct naar de uitspraak

FISCAAL

Voordeel uit opties genoten bij uitoefening

 
Belanghebbende heeft een aantal Nederlandse werknemers dat gebruik maakt van de 30%-regeling. Deze werknemers verkrijgen voorwaardelijke aandelenopties die gedurende de looptijd van de 30%-regeling onvoorwaardelijk worden. Na vertrek uit Nederland oefenen de werknemers de opties uit. Belanghebbende stelt dat het voordeel genoten wordt bij het onvoorwaardelijk worden van de opties en zodoende onder de 30%-regeling valt. De HR overweegt dat, nu specifiek bepaald wordt dat voordelen uit opties genoten worden bij uitoefening, overige bepalingen inzake een genietingsmoment niet van belang zijn. Het genoten voordeel valt aldus niet onder de 30%-regeling.
 
Direct naar de uitspraak