Onlangs ging de Afdeling in op de vraag of ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling was verricht voorafgaand aan de verlening van een ontgrondingenvergunning. De betrokken zandwinning was kleiner dan de drempelwaarde die voor een “directe” m.e.r.-beoordelingsplicht is opgenomen in het Besluit m.e.r., maar wel waren in de directe omgeving nog twee ontgrondingen voorzien.

Alvorens een plan-m.e.r.-plicht of project-m.e.r.-(beoordelings)plicht kan worden aangenomen dient de activiteit te voldoen aan de beschrijving van ‘gevallen’ in kolom 2 van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Hierin zijn voor bepaalde categorieën drempelwaarden opgenomen. Deze drempelwaarden in onderdeel D zijn niet absoluut, zoals opgenomen in art. 2 lid 5 Besluit m.e.r.. Indien een drempelwaarde niet wordt overschreden moet aan de hand van de specifieke kenmerken van het project in relatie tot de selectiecriteria in bijlage III van de m.e.r-richtlijn een beoordeling plaatsvinden. Deze beoordeling wordt vaak aangeduid als een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Het ging in de uitspraak om categorie D.16.1 bij het Besluit m.e.r.: de ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem. De drempelwaarde voor het aannemen van een m.e.r.-beoordelingsplicht is 12,5 hectare of meer. De betrokken ontgronding had slechts een oppervlakte van 12 ha, zodat niet voldaan werd aan de drempelwaarde. Het bevoegd gezag, gedeputeerde staten van Gelderland, betoogde dat ook anderszins geen sprake was van omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn.

De Afdeling gaat niet mee in het betoog van GS en overweegt dat er gelet op de ontgrondingen in de directe omgeving van de vergunde ontgronding een cumulatie van projecten aan de orde is, zoals bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Gelet daarop geldt voor het bestreden besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht.

In onze noot in Bouwrecht bespreken wij deze uitspraak. Daarin gaan wij onder meer in op de vraag of de onderhavige ontgrondingen als één project moeten worden gezien gelet op het voorzienbaarheids- en samenhangcriterium.