De Codextrein voorziet met het nieuwe artikel 4.4.8/2 VCRO in een nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor het oprichten van één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf.


  1. Van een gespannen huwelijk….
  2. Naar een gedwongen huwelijk… met een éénstal-beleid…
  3. Gaat het om een evenwichtig huwelijk?

Van een gespannen huwelijk….

Het houden van hobbydieren (in het bijzonder paarden) in agrarisch gebied (in de ruime zin) vormt al jaren een gespannen huwelijk. De tegenstanders vrezen immers dat deze hobbyactiviteiten een nefaste invloed op de prijs voor landbouwgrond zal hebben, dat de eigenlijke landbouwactiviteiten hierdoor ernstig bemoeilijkt zullen worden en voor de verdere versnippering en verstedelijking van de open ruimte zullen zorgen. De voorstanders klagen dan weer over het precaire (lees: de afwezigheid van) juridische statuut van het houden van paarden of andere hobbydieren in agrarisch gebied.

De vraag rijst immers of deze hobbyactiviteiten wel thuis horen (lees: verenigbaar zijn met de planologische bestemming) in agrarisch gebied in de ruime zin (gewestplannen) of landbouwgebied (ruimtelijke uitvoeringsplannen).

Het mag geen verrassing heten dat veel stedenbouwkundige vergunningen voor het bouwen van stallen voor (hobby)weidedieren in agrarisch gebied / landbouwgebied vaak voor de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden betwist. De rechtspraak is streng (doch vanuit juridisch oogpunt terecht): in agrarisch gebied kunnen agrarische en para-agrarische activiteiten maar geen recreatieve activiteiten, zodat vergunningen ook enkel kunnen verleend voor gebouwen die dienen voor een agrarische of para-agrarische activiteit. Voor het bouwen van stallen en faciliteiten voor paarden betekent dit bijvoorbeeld dat de inrichtingen voor het fokken en verzorgen van dieren (agrarisch) of hippotherapie, inseminatiecentra of paardenpensions (para-agrarisch) toegelaten zijn. Maneges, stoeterijen, een paardenstal met rijpiste zijn daartegen niet toegelaten aangezien dit recreatieve aanwendingen van deze ruimte betreffen.

Het oprichten van schuilhokken viel weliswaar reeds onder het zgn. Vrijstellingsbesluit maar het oprichten van nieuwe stallen voor hobbydieren was derhalve niet mogelijk. Het oprichten van een schuilhok brengt veelal voor het houden van hobbydieren geen soelaas.

Naar een gedwongen huwelijk… met een éénstal-beleid…

Naar aanleiding van deze problematiek werd middels artikel 67 van de Codextrein in een nieuwe afwijkingsmogelijkheid voorzien voor het oprichten van stallen voor weidedieren (dus ruimer dan alleen maar voor het houden van paarden). De decreetgever trachtte hierbij een zeker evenwicht tussen beide partijen te vinden.

Het nieuwe artikel 4.4.8/2 VCRO maakt het mogelijk om in agrarisch gebied, zowel volgens de plannen van aanleg als volgens de ruimtelijke uitvoeringsplannen, één stal voor weidedieren te vergunnen die niet in functie staat van beroepslandbouw per hoofdzakelijk vergunde residentiële woning of bedrijfswoning. Dit is evenwel onder de hierna besproken strikte en cumulatieve voorwaarden.

Zo kan (dus: geen verplichting) het vergunningverlenend bestuur een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het oprichten van één stal verlenen voor weidedieren op voorwaarde dat:

  • er geen bestaande stallingsmogelijkheden voorhanden zijn;
  • de stal geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf;
  • de stal voldoet aan alle hiernavolgende voorwaarden:
    • de stal wordt volledig opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;
    • de stal heeft een maximale kroonlijsthoogte van 3,5 meter;
    • de stal heeft een maximale vloeroppervlakte van 120 vierkante meter per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200 vierkante meter.
  • de stal mag niet gelegen zijn in
    • ruimtelijk kwetsbaar gebied;
    • gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als:
      • bouwvrij agrarisch gebied;
      • agrarisch gebied met overdruk natuurverweving.

Bovendien moet het vergunningverlenend bestuur bij de beoordeling van vergunningsaanvragen uitdrukkelijk rekening houden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.

Tenslotte voorziet de decreetgever in een bijkomende vervalregeling: de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het oprichten van een stal voor weidedieren, verleend met toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid, vervalt van rechtswege als gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel of de percelen waarop de vergunning betrekking heeft. Na het verval van de vergunning, moet de stal voor weidedieren binnen zes maanden worden afgebroken.

Gaat het om een evenwichtig huwelijk?

Hoewel de nieuwe afwijkingsmogelijkheid aan stringente voorwaarden onderworpen is, zal menig paardenliefhebber het gegeven paard niet in de bek kijken.

Tegenstanders zullen de komst van deze afwijkingsmogelijkheid echter met lede ogen aanzien: de hobby(weide)dieren zijn voortaan welgekomen in landbouwgebied. De voorwaarden, de bijzondere toets met betrekking tot de landschappelijke inpasbaarheid en de bijzondere vervalregeling, zullen op het eerste gezicht evenwel voorkomen dat het agrarisch gebied in Vlaanderen zal worden omgetoverd tot één grote paardenstal. Tenslotte kan er op gewezen worden dat het hier om een afwijkingsmogelijkheid van het verordenend karakter van bestemmingsvoorschriften gaat, waardoor de voorwaarden restrictief geïnterpreteerd moeten worden.