Op 24 december 2013 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in een procedure over de verlening en intrekking van diverse vergunningen om met een woonschip een ligplaats in te mogen nemen van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (ECLI:NL:RVS:2013:2546).

De casus in deze uitspraak is als volgt. De vergunning van appellante wordt ingetrokken omdat deze is verleend voor locatie A, maar het woonschip feitelijk ligt op locatie B. Dit is ook een van de in de verordening opgenomen intrekkingsgronden. Tijdens de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de vergunning, verleent het college al een nieuwe vergunning voor dezelfde ligplaatslocatie aan een ander.

De rechtbank verklaart het beroep van appellante niet-ontvankelijk en de Afdeling gaat hierin mee. De reden hiervoor is dat appellante uitsluitend beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar die betrekking heeft op de intrekking van haar vergunning en niet tegen de verlening van de nieuwe vergunning aan de ander voor dezelfde locatie. Die andere vergunning is dan ook onherroepelijk geworden.

Dit heeft tot gevolg dat appellante geen procesbelang meer heeft. Appellante kan met haar beroep namelijk niet meer bereiken dat zij op locatie A een ligplaats kan innemen.

De Afdeling acht van belang dat appellante ter zitting expliciet heeft verklaard dat zij geen beroep wilde instellen tegen de besluitvorming omtrent de verlening van de vergunning aan de ander en dat zij zich realiseerde dat dit gevolgen kon hebben voor haar eigen beroepsprocedure over de intrekking. De stelling van appellante dat zij geen beroep durfde in te stellen wegens pesterijen en intimidaties door de vergunninghouder, kan daar volgens de Afdeling niet aan afdoen, omdat deze stelling niet is gestaafd met toereikende gegevens. 

De overwegingen van de rechtbank en Afdeling zijn goed te volgen: als iemand er bewust voor kiest om geen rechtsmiddelen tegen een besluit in te dienen dan dienen de gevolgen hiervan voor zijn rekening komen. Dit is in het belang van de rechtszekerheid van met name de uiteindelijke vergunninghouder.

Bij het lezen van de uitspraak, rees bij mij echter één vraag en dat is of het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming wenselijk zou zijn dat als sprake is van besluitvorming omtrent één object en slechts één positief besluit kan worden genomen, deze samenhangende besluiten geconcentreerd behandeld worden gedurende zowel de primaire fase als bezwaar- en (hoger) beroepsfase? Mijns inziens moet voorkomen worden dat een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de weigering of intrekking van een besluit zinledig wordt door de verlening van een nieuw besluit aan een derde. Meer hierover is te lezen in mijn annotatie bij deze uitspraak in AB 2014/59.