Kleine en middelgrote ondernemingen kampen volgens de Europese Commissie nog steeds met teveel obstakels, waardoor hun economische activiteiten in de interne markt worden belemmerd. Slechts 2% van de ondernemingen investeren in het buitenland en richten buitenlandse dochterondernemingen op. De reden hiervoor is veelal de administratieve en financiële eisen die in de diverse landen van de Europese Unie voor de oprichting van dochterondernemingen worden gesteld. 

Het voorstel van de Europese Commissie tot introductie van een één-aandeelhoudersvennootschap doelt niet op de oprichting van een supranationale rechtsvorm maar eerder op de implementatie in elk rechtssysteem van de EU-landen van een gestandaardiseerde eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Hierdoor zou volgens de Europese Commissie een einde komen aan de omslachtige registratieprocedure van dochterondernemingen en kunnen kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker in de gehele EU opereren.

De SUP dient volgens de Europese Commissie de volgende kenmerken te hebben:

  • de lidstaten moeten in hun nationale wetgeving een type eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid opnemen in lijn met modelstatuten die in de gehele EU gelijk zijn en in alle talen van de EU verkrijgbaar zijn;
  • de registratie van de SUP moet volledig elektronisch kunnen gebeuren zonder dat de oprichter fysiek aanwezig hoeft te zijn in de lidstaat waarin de registratie moet plaatsvinden;
  • de SUP kan door één aandeelhouder worden opgericht en eenhoofdig bestaan zonder dat de enige aandeelhouder aansprakelijk wordt geacht voor de schulden van de vennootschap. Een toereikende bescherming van crediteuren wordt gewaarborgd door een balanstest en een solvabiliteitsverklaring.
  • de SUP mag slechts één aandeel uitgeven en het minimumkapitaal bedraagt één euro;
  • de enige aandeelhouder heeft het recht instructies te geven aan het bestuur.

Dit betekent niet alleen een grote administratieve vereenvoudiging wat de oprichting van dochtervennootschappen in de gehele Europese Unie betreft maar eveneens een grote wijziging in de aansprakelijkheidsregels die het Belgische Vennootschaprecht vooropstelt. Momenteel is het immers onmogelijk voor een vennootschap om als enige aandeelhouder een vennootschap op te richten of aan te houden zonder dat deze hoofdelijk aansprakelijk wordt voor de schulden van de vennootschap ontstaan sinds de eenhoofdigheid. Als een aandeelhouder instructies geeft aan het bestuur, kan dit bovendien tot een kwalificatie van deze aandeelhouder als feitelijk bestuurder leiden en aldus dezelfde aansprakelijkheden als de bestuurders. 

Vreemd is ook dat de Europese Commissie hiermee niet denkt aan de grote vennootschappen en groepen en hun nood aan vereenvoudiging van de oprichtingsformaliteiten voor dochterondernemingen. Wellicht is de nood bij hen nog hoger en zal het resultaat van deze vereenvoudiging, initieel bedoeld voor kleine en middelgrote ondernemingen, leiden tot de massale oprichting van dochtervennootschappen van de grote ondernemingen en groepen als SUP, een vorm van besloten vennootschap die eigenlijk bedoeld is als rechtsvorm voor de kleinere en middelgrote vennootschappen. 

Een evolutie die dus vele mogelijkheden biedt en die grote veranderingen zal teweeg brengen aan het huidige Belgische Vennootschapsrecht, maar die wellicht een ruimer toepassingsgebied verdient dan hetgeen door de Europese Commissie werd vooropgesteld.