Zoals ruzies tussen kinderen nogal eens via papa en mama worden uitgevochten, zo is bij geschillen tussen concurrenten de overheid regelmatig het lijdend voorwerp. Hetzelfde geldt voor het spanningsveld tussen een bedrijf en zijn omwonenden. Met name als voor de gewraakte activiteit een vergunning nodig is, wordt niet de activiteit zelf, maar de vergunning het mikpunt. Niet elke concurrent of omwonende kan echter een vergunning aanvechten, vereist is dat hij voldoet aan het vereiste van belanghebbendheid uit artikel 1:2 Awb. Dat vereiste is van openbare orde: zelfs als partijen er niets over aanvoeren, is de bestuursrechter verplicht eraan te toetsen.

Traditioneel is het een lastig probleem om te bepalen wie nog een eigen, persoonlijk, objectief, actueel en rechtstreeks belang heeft bij een besluit, en wie buiten deze kring van belanghebbenden valt. In 2013 zijn er enkele uitspraken gedaan die wat meer helderheid hebben geboden over de criteria die de hoogste bestuursrechters aanleggen om te bepalen welke concurrenten en welke omwonenden belanghebbenden zijn bij vergunningverlening. Termen als marktsegment en verzorgingsgebied respectievelijk afstand, zicht en ruimtelijke uitstraling staan daarbij centraal.

Klik hier voor het artikel dat verscheen in Bb 2013, aflevering 23.