Het Grondwettelijk Hof heeft zich (opnieuw) uitgesproken over de bestuurlijke lus. In tegenstelling tot de eerdere regelgeving over de bestuurlijke lus, doorstond de bestuurlijke lus ditmaal wel de toets van het Grondwettelijk Hof met verve.

Een moeilijke start voor de bestuurlijke lus: een resem aan vernietigingen door het Grondwettelijk Hof

In 2012 deed de bestuurlijke lus in het Vlaamse rechtslandschap zijn intrede. De bestuurlijke lus voorziet in essentie dat de bestuursrechters aan het vergunningverlenend bestuur de mogelijkheid kunnen geven om bepaalde onwettigheden in een bestreden beslissing reeds tijdens de annulatieprocedure te herstellen, in plaats van na een vernietiging. Dit laat toe om een carrousel aan procedures te vermijden.

De intrede van de bestuurlijke lus op niveau van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bleek niet meteen een succes. Middels het vernietigingsarrest van 8 mei 2014 werden de zwakke punten ervan door het Grondwettelijk Hof blootgelegd (GwH 8 mei 2014, nr. 74/2014). Samengevat oordeelde het Grondwettelijk Hof dat met het toenmalige artikel 4.8.4 VCRO volgende beginselen en normen werden geschonden:

  • het beginsel van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter aangezien de bestuurlijke lus enkel kon worden toegepast als het herstel van de onwettigheid leed tot dezelfde beslissing;
  • de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter. Dit was wegens een gebrek aan inspraak over de toepassing van de bestuurlijke lus en de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing die naar aanleiding van de bestuurlijke lus genomen was;
  • de formele motiveringsplicht. Er zou immers voorbijgegaan worden aan de uitdrukkelijke motiveringsplicht als de motieven die de beslissing verantwoorden pas aan de bestuurde worden bekend gemaakt nadat hij het beroep heeft ingesteld;
  • het recht op gelijke toegang tot de rechter wat betreft de gerechtskosten aangezien de kosten niet ten laste van de vergunningverlenende overheid konden worden gelegd na een toepassing van de bestuurlijke lus.

Op 29 oktober 2015 vernietigde het Grondwettelijk Hof op vrijwel dezelfde gronden ook de bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen voorzien in artikel 34 van het nieuwe decreet betreffende de organisatie en de rechtsplegingvoor sommige Vlaamse bestuurscolleges (DBRC). Artikel 34 DBRC was toen echter nog niet inwerking getreden.Bovendien werd artikel 34 DBRC ondertussen herzien naar aanleiding van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 8 mei 2014 (zie verder), zodat de impact van de vernietiging van het (oud) artikel 34DBRC beperkt bleef.

Ook artikel 38 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, welke de bestuurlijke lus op het niveau van de Raad van State voorzag, doorstond -omwille van bijna gelijkaardige argumenten- de toets van het Grondwettelijk Hof niet (GwH 16 juli 2015, nr. 103/2015).

Schoon schip voor de bestuurlijke lus: het nieuwe artikel 34 DBRC

Hoewel na de vernietigingen door het Grondwettelijk Hof de bestuurlijke lus ten dode leek te zijn opgeschreven, opteerde de Vlaamse decreetgever er niettemin voor om een nieuw artikel voor de bestuurlijke lus voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege te voorzien- ditmaal echter met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in het achterhoofd.

Met artikel 5 van het decreet van 3 juli 2015 tot wijziging van artikel 4.8.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de raadpleging van sommige Vlaamse bestuurscolleges werd artikel 34 DBRC ingrijpend gewijzigd. Zo wordt onder meer voorzien dat:

  • de inhoud en strekking van de bestreden beslissing ingevolge de bestuurlijke lus gewijzigd kan worden. Voordien kon de bestuurlijke lus enkel tot eenzelfde beslissing leiden, wat de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang bracht. Ook vormt de herstelbeslissing een nieuwe beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep. Er wordt dus niet langer hersteld binnen dezelfde beslissing;
  • alle partijen vooraf hun standpunt over de toepassing van de bestuurlijke lus schriftelijk kenbaar kunnen maken. Hiermee wordt aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof inzake de rechten van verdediging en tegenspraak tegemoet gekomen;
  • de Vlaamse bestuursrechter zich in haar tussenuitspraak moet uitspreken over alle middelen. De bestuurlijke lus is immers maar zinvol in zoverre de beslissing niet op andere gronden kan worden vernietigd;
  • de bestuurlijke lus enkel nog in een vernietigingsprocedure worden toegepast en dus niet langer in schorsingsprocedures of “in elke stand van het geding”.

Met het nieuwe artikel 34 DBRC kwam de Vlaamse decreetgever dus op alle vlakken tegemoet aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof. Of niet?

Derde keer, goede keer: het arrest van het Grondwettelijk Hof van 1 december 2016

Het stond in de sterren geschreven dat ook deze bestuurlijke lus voor het Grondwettelijk Hof zou worden aangevochten en zo geschiedde het op 1 december 2016 (GwH 1 december 2016, nr. 153/2016).

Het Grondwettelijk Hof bleek niet onder de indruk te zijn van de 11 aangevoerde middelen en valideerde ditmaal wel de bestuurlijke lus. Zo oordeelde het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de vermeende onpartijdigheid van de bestuursrechter dat deze slechts oordeelt over de toepassing van de bestuurlijke lus ingevolge een aan hem toegekende wettelijke bevoegdheid én na alle partijen te hebben gehoord. Evenmin mogen de bestuurscolleges zich in de plaats van het vergunningverlenend bestuur stellen. Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan de discretionaire bevoegdheid van het bestuur en evenmin wordt er vooruit gelopen op de wettigheidstoets van de herstelbeslissing.

Met betrekking tot het recht op tegenspraak benadrukt het Grondwettelijk Hof onder meer dat de bestuurlijke lus slechts toepassing kan vinden nadat alle partijen hun standpunt daarover hebben kunnen laten gelden, dat er over de herstelbeslissing zelf ook een zitting wordt georganiseerd en dat de herstelbeslissing naar de betrokken partijen wordt toegestuurd. Bovendien, zo stelt het Grondwettelijk Hof, staat het beroep tegen de herstelbeslissing open voor alle partijen die daartoe belang hebben in de zin van de VCRO: “indien één van de oorspronkelijke partijen op het ogenblik van de bekendmaking van de herstelbeslissing een belanghebbende is in de zin van de VCRO, heeft die partij de mogelijkheid beroep in te stellen tegen de herstelbeslissing, overeenkomstig de gewone vernietigingsprocedure, waardoor de eventuele toepassing van de bestuurlijke lus niets wijzigt aan de beroepsmogelijkheden van de belanghebbende partijen”.

Ook de overige vermeende schendingen worden door het Grondwettelijk Hof ongegrond geacht.

De bestuurlijke lus heeft de toets van het Grondwettelijk Hof dan toch overleefd.