CIVIEL

Urgenda-arrest blijft in stand, Nederlandse Staat aan zet De HR verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van het hof waarin is geoordeeld dat op de Staat de verplichting rust de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met minstens 25% terug te dringen ten opzichte van 1990. Deze – positieve – verplichting voor de Staat, om overeenkomstig zijn aandeel, maatregelen te treffen ter bescherming tegen het gevaar van klimaatverandering berust op de art. 2 en 8 EVRM, die ook strekken tot bescherming van de samenleving en bevolking als geheel. De rechter kan de Staat een daartoe strekkend bevel geven. Het is vervolgens aan de Staat te bepalen met welke concrete maatregelen hij daaraan zal voldoen. Als daarvoor wetgevende maatregelen nodig zijn, is het aan de Staat te beoordelen welke specifieke wetgeving wenselijk en noodzakelijk is. Aan de verplichting van de Staat wordt niet afgedaan door het mondiale karakter van gevaarlijke klimaatverandering.

ECLI:NL:HR:2019:2006 

CIVIEL

Uitwerking maatstaven bij incident tot niet-uitvoerbaarverklaring bij voorraad Volgens de HR is uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidsstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan. Deze regels gelden zowel in een incident als in een kort geding over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

ECLI:NL:HR:2019:2026