1. Inleiding

Deze Finance/Regulatory Update is onze halfjaarlijkse nieuwsbrief over recente ontwikkelingen op het gebied van het Nederlandse financiële recht.

De Nederlandse wetgever streeft ernaar wijzigingen in de wetgeving op twee vaste tijdstippen in het jaar (1 januari en 1 juli) van kracht te laten worden.
Hieronder gaan wij kort in op de financieelrechtelijke wijzigingen die omstreeks 1 juli 2013 in werking zijn getreden.

Voor wijzigingen op ondernemingsrechtelijk gebied verwijzen wij naar onze Corporate Update van 28 juni 2013.

  1. Nieuwe wet- en regelgeving van kracht vanaf juli 2013

Wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht per 1 juli 2013

Op 1 juli is de Wet corporate governance in werking getreden. Deze wet leidt ertoe dat de meldingsverplichtingen van hoofdstuk 5.3 van de Wet op het financieel toezicht ("Wft") op twee onderdelen wijzigen.

Drempel voor zeggenschapsmelding omlaag naar 3%

In aanvulling op de bestaande vijf-procentsdrempel, is sinds 1 juli 2013 een nieuwe drempel van drie procent geïntroduceerd voor het melden van zeggenschap en/of kapitaalbelangen in uitgevende instellingen. Iedereen die op 1 juli 2013 beschikt over ten minste drie procent, maar minder dan vijf procent van het kapitaal of van de stemmen in een uitgevende instelling, dient daarvan uiterlijk op 29 juli 2013 een melding te doen aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten ("AFM"). De bestaande meldingsdrempel van vijf procent, evenals de overige reeds bestaande meldingsdrempels, blijven gehandhaafd. Bestaande belangen van vijf procent of meer vallen niet onder deze initiële meldingsplicht. Dergelijke belangen dienden immers al te zijn gemeld op grond van de bestaande regels.

Meldingsplicht bruto shortposities

Naast de nieuwe drempel van drie procent voor de melding van totale kapitaalbelangen ('bruto longposities', bestaande uit zowel aandelen als rechten tot het nemen van aandelen die in waarde stijgen als de koers van het onderliggende aandeel stijgt), introduceert de wet ook de verplichting om 'bruto shortposities' in uitgevende instellingen onverwijld te melden aan de AFM. Onder 'bruto shortposities' vallen alle financiële instrumenten die in waarde stijgen wanneer de aandelenkoers van de uitgevende instelling daalt.

Voor bruto shortposities gelden dezelfde meldingsdrempels als voor de bruto longposities: ook deze posities dienen te worden gemeld vanaf een drempel van drie procent. De melding dient te worden gedaan wanneer de meldingsdrempel actief of passief wordt over- of onderschreden.

De AFM heeft een Beleidsregel gepubliceerd waarin nader wordt ingegaan op de definitie van 'shortpositie' en de berekening daarvan. De Beleidsregel sluit aan bij de regels opgenomen in de Europese Verordening inzake short selling en bepaalde aspecten van credit default swaps van 14 maart 2012 (EU Verordening No. 236/2012/EU) (de "Short Selling Verordening") en de Uitvoeringsverordening van de Europese Commissie (EU Commissie Uitvoeringsverordening No. 918/2012/EU).

De melding van shortposities dient op een bruto basis te worden gedaan. Dat betekent dat de shortpositie niet met een eventuele longpositie mag worden verrekend. Voor het berekenen van de netto shortpositie dient eerst de bruto shortpositie en de bruto longpositie te worden berekend.

Wanneer een belegger zowel over een longpositie als over een shortpositie beschikt met een waarde gelijk aan ten minste drie procent van het geplaatst kapitaal, dient voor beide posities een afzonderlijke melding te worden gedaan.

De meldingsplicht op grond van de Wft geldt naast de meldingsplicht van een netto shortpositie onder de Short Selling Verordening.

Uitzondering voor niet-EU uitgevende instellingen

De nieuwe drempel van drie procent geldt niet voor belangen in vennootschappen die opgericht zijn naar het recht van een staat die geen EU lidstaat is, waarvan de aandelen zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt in Nederland. Voor dergelijke vennootschappen begint de meldingsplicht bij de drempel van 5% zoals voorheen ook het geval was.

Hoe melden?

Voor het melden van kapitaalbelangen, zeggenschapsrechten of shortposities kunt u gebruik maken van het Loket AFM. Bij onbereikbaarheid van het Loket AFM, kunt u de melding doen door gebruik te maken van het meldingsformulier dat beschikbaar is op de website van de AFM.

Wet identificatie aandeelhouders

De Wet corporate governance introduceert een regeling in de Wet giraal effectenverkeer ("Wge") op basis waarvan investeerders met een belang van meer dan 0,5% van het geplaatste kapitaal in een uitgevende instelling voorafgaand aan een algemene of bijzondere vergadering kunnen worden geïdentificeerd. De uitgevende instelling kan daartoe een identificatieverzoek doen bij Euroclear Nederland, aangesloten instellingen, andere intermediairs, bepaalde instellingen in het buitenland en bewaarders van beleggingsinstellingen. Het identificatieverzoek kan de naam, het adres en het emailadres van de investeerder omvatten.

Indien de partij tot wie de uitgevende instelling het identificatieverzoek heeft gericht weigert mee te werken, kan de uitgevende instelling in rechte nakoming van het identificatieverzoek vorderen. Het is echter onduidelijk hoe een rechterlijk bevel tot nakoming van het identificatieverzoek zal werken ten aanzien van partijen gevestigd in het buitenland, aangezien er geen internationaal verdrag bestaat voor de identificatie van aandeelhouders, en ter plaatste geldende privacyregels het delen van de verzochte informatie wellicht niet toestaan.

De uitgevende instelling kan op eigen initiatief een verzoek tot identificatie doen, maar is daartoe in beginsel niet verplicht. Een dergelijke verplichting bestaat wel indien identificatie wordt verzocht door investeerders die – alleen of gezamenlijk met andere investeerders – ten minste tien procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Dit verzoek moet door deze investeerders bij de beursvennootschap worden gedaan in de periode vanaf zestig dagen tot tweeënveertig dagen voorafgaand aan de algemene vergadering.

Een verzoek tot identificatie kan door de uitgevende instelling worden gedaan in de periode vanaf zestig dagen voor een algemene vergadering tot en met de dag van de desbetreffende vergadering. Het eerste verzoek (identificatieronde) moet echter wel uiterlijk op de achtentwintigste dag voor de dag van de algemene vergadering zijn gedaan. Uiterlijk op deze datum dient hiervan melding te worden gemaakt op de website van de uitgevende instelling. In het verzoek moet de uitgevende instelling de peildatum vermelden waarop het verzoek is gericht. Indien als peildatum wordt gekozen voor een datum die is gelegen vóór de registratiedatum van de desbetreffende algemene vergadering, bestaat het risico dat de investeerders die zijn geïdentificeerd, niet (alleen) degenen zijn die vergadergerechtigd zijn. Het ligt dus voor de hand om als peildatum de registratiedatum te kiezen.

Nederlandse implementatie van de AIFMD per 22 juli 2013 in werking

Op 22 juli 2013 treedt in Nederland de implementatie van de AIFM-richtlijn (Alternative Investment Fund Managers Directive, ("AIFMD")) in werking. Het toezichtlandschap voor (beheerders van) beleggingsinstellingen zal daarmee aanmerkelijk veranderen.

In de Wft worden vanaf dat moment twee afzonderlijke regimes onderscheiden voor:

  • instellingen voor collectieve belegging in effecten ("icbe's")
  • alternatieve beleggingsinstellingen (lees: instellingen voor collectieve belegging die niet als icbe kwalificeren, nieuwe Wft-term: "beleggingsinstellingen")

De AIFMD introduceert geharmoniseerde vereisten voor de vergunningverlening aan, en het toezicht op beheerders van beleggingsinstellingen. De AIFMD voorziet in een maximumharmonisatie voor beheerders van beleggingsinstellingen die alleen aan professionele beleggers aanbieden; de Nederlandse implementatie voorziet ten aanzien van dergelijke beleggingsinstellingen om die reden niet in aanvullende regels.

Voor beheerders die rechten van deelneming aanbieden aan niet-professionele beleggers mag op grond van de AIFMD wel worden voorzien in aanvullende regels in de nationale implementaties van deze richtlijn. Conform de mogelijkheid die de AIFMD daartoe biedt, heeft de Nederlandse wetgever voorzien in een lichtere regeling. Voor beheerders waarop de lichtere regeling van toepassing is, geldt geen vergunningsplicht, maar geldt wel de verplichting om te notificeren aan de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst, alsmede om aan die autoriteiten bepaalde informatie te verstrekken.

Nederlandse beheerders van beleggingsinstellingen zullen, vanwege toezicht op de naleving van de AIFMD, te maken krijgen met zowel de AFM als met De Nederlandsche Bank. Dit geldt niet alleen als de beheerder onder het vergunningsregime valt, maar ook als hij onder het verlichte registratieregime valt.

Beheerders van beleggingsinstellingen die niet onder het volledige regime van de AIFMD maar enkel onder het registratieregime vallen kunnen, indien zij dat wensen, vanaf 22 juli 2013 en de inwerkingtreding van de Europese Venture Capital Verordening (EU Verordening No. 345/2013/EU) gebruik maken van het "EuVeCa" label en zich als venture capital fonds profileren, mits zij aan bepaalde criteria voldoen.

Nieuwe regeling dienstverleningsdocument van kracht

Voordat een financiële dienstverlener een financiële dienst verleent, is hij verplicht een dienstverleningsdocument aan zijn klant te verstrekken.

Op 1 juli 2013 is de verplichting in werking getreden om een standaard dienstverleningsdocument (“DVD”) aan de klant te verstrekken voor producten die onder het provisieverbod vallen. Producten die onder het provisieverbod vallen zijn: (i) betalingsbeschermers, (ii) complexe producten, (iii) hypothecaire kredieten, (iv) individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, (v) overlijdensrisicoverzekeringen, (vi) uitvaartverzekeringen, en (vii) bij ministeriële regeling aan te wijzen andere financiële producten.

Alleen financiële dienstverleners (aanbieders, adviseurs, bemiddelaars en (onder-) gevolmachtigde agenten) die rechtstreeks klantcontact hebben met betrekking tot de dienstverleningsvraag van een klant moeten een DVD verstrekken. Als men geen rechtstreeks klantcontact heeft, of als men pas klantcontact heeft nadat de klant het product al heeft afgenomen, behoeft geen DVD te worden verstrekt.

Vanaf 1 juli is het DVD niet langer vorm vrij, maar dien dit een vast format hebben. Via de zogenaamde DVD generator van de AFM kan een DVD worden gegenereerd dat voldoet aan de wettelijke vormvereisten. Vanwege een eerdere technische storing heeft de AFM financiële dienstverleners tot 7 juli 2013 de tijd gegeven om een DVD aan te maken.

Voortaan dient iedereen die hiertoe verplicht is in het bezit te zijn van de standaard DVD's die op hun dienstverlening van toepassing zijn. Alle regels met betrekking tot standaardisering van het DVD worden opgenomen in de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft ("Nrgfo").

Een financiële dienstverlener moet het DVD in een vroegtijdig stadium aan de klant verstrekken. Bijvoorbeeld tijdens het eerste klantcontact, maar in ieder geval steeds voorafgaand aan het verlenen van een financiële dienst. Dit betekent dat het DVD aan de klant wordt verstrekt op het moment dat de klant nog geen beslissing heeft genomen over het distributiekanaal en de persoonlijke financiële situatie nog niet in kaart is gebracht. Op deze manier kan een klant in een vroeg stadium geïnformeerd worden over de dienstverlening en de bijbehorende kosten en wordt de klant in staat gesteld een weloverwogen keuze te maken.

CRD IV: ontwikkelingen

Op 16 april heeft het Europese Parlement ingestemd met de voorstellen voor nieuwe kapitaalseisen voor banken – het zogenaamde Capital Requirements Directive IV-pakket ("CRD IV"). Op 20 juni heeft de Raad van Ministers van Financiën ingestemd met CRD IV en op 27 juni is het CRD IV pakket in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. CRD IV zal vanaf 1 januari 2014 in werking treden. 

In CRD IV zijn tevens nadere beloningsrestricties vervat voor banken en beleggingsondernemingen. De twee belangrijkste wijzigingen in de beloningsvoorschriften van de CRD IV regelgeving richten zich op het maximeren van variabele beloning.

  1. De variabele beloning wordt gemaximeerd tot één vast jaarsalaris. De ratio tussen het vaste en variabele deel van de beloning is dus gemaximeerd tot 1:1. Deze ratio kan tot een maximum van 1:2 worden verhoogd als 66% van de aandeelhouders, die de helft van de aandelen bezitten, daarmee instemmen, of als 75% van de aandeelhouders daarmee instemmen, indien geen sprake is van een quorum.
     
  2. Indien de variabele beloning meer bedraagt dan één vast jaarsalaris, moet 25% van de totale variabele beloning worden uitgesteld voor een periode van minimaal vijf jaar.

Een concept wetsvoorstel ter implementatie van de CRD IV-richtlijn in Nederland is op 24 april 2013 ter consultatie gepubliceerd. De consultatie is inmiddels gesloten en het wetsvoorstel is in departementale voorbereiding. Naar verwachting zal in oktober 2013 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend. Wij zullen u uiteraard op de hoogte houden van de verdere ontwikkelingen.